Slowblow :: Slowblow

De mensen die enkele jaren geleden de film Nói Albinói gezien hebben en niet alleen hun
ogen maar ook hun oren de kost gaven, hebben toen al (bewust of
onbewust) kennis gemaakt met het IJslandse Slowblow. De groep is
het geesteskind van regisseur Dagur Kári Petursson en
fotograaf-geluidstechnicus Orri Jonsson. Artiestieke duizendpoten
zou je kunnen zeggen, maar in IJsland kijkt niemand daar nog van
op. Haast iedere creatieveling combineert daar de meest
uiteenlopende kunstvormen. Maar wanneer je – zoals Kári – bezig
bent aan een film en je zit verlegen om een soundtrack, dan is het
wel handig wanneer je zelf ook nog in een band speelt. Nu ja, een
band… Slowblow bulkt niet bepaald van de ambitie, verre van. Hun
muziek klinkt heel erg ‘lofi’, en al wat daar rondhangt houden ze
zelf graag low profile.
“Slowblow” is de vierde langspeler van het gezelschap, in tien jaar
tijd. Tijdens de eerste negen jaar van haar bestaan trad de groep
naar verluidt slechts een keer of zes op. In hun geval heeft dat
niets te maken met opgedroogde ideeënbronnen, muzikale
meningsverschillen of weerspannige platenmaatschappijen.
Tijdsgebrek, wegens die andere artistieke bezigheden, plus het feit
dat de twee kernleden meestal in het buitenland vertoeven en elkaar
eigenlijk slechts zelden zien, maakt het onmogelijk een echte
carrière uit te bouwen. Er berust dus heel wat op het toeval, op
intuïtie en de vorm van de dag wanneer Jonsson en Petursson aan het
componeren slaan.
Slowblow maakt eigenlijk kampvuurliedjes die zich nog het best des
winters laten beluisteren, wanneer je je onder een dekentje hebt
teruggetrokken in de buurt van de stoof. Zacht, vriendelijk,
charmant, gemoedelijk, maar vaak ook een tikkeltje te slordig en te
vrijblijvend. De laisse faire, laisser passer attitude die
wordt doorgetrokken naar de plaatopnames is niet altijd een zegen.
Onbevangenheid en de wil om niet altijd krampachtig binnen de
lijntjes te willen kleuren zijn ongetwijfeld een deugd, maar het is
soms ook een nadeel. Op bevlogen momenten zorgt een dergelijke
ingesteldheid voor magie, wanneer de ongetwijfeld getalenteerde
groepsleden voldoende speelruimte krijgen om boven zichzelf uit te
stijgen. Jammer genoeg is dat niet altijd zo. De plaat telt behalve
prachtige momenten dan ook enkele minder goeie, zeg maar
“doe-maar-op”- of “sla-maar-raak”-momenten, zo’n beetje als
geblinddoekt kleiduifschieten. (Al spreek ik wat dit laatste
betreft niet uit ervaring…) Dat was ook duidelijk tijdens het
optreden dat de groep vorige maand gaf in Gent, tijdens het
Etoiles Polaires-festival. Als
geluidstechnicus werkte Orri Jonsson in het verleden geregeld met
múm. Enkele leden van IJslands
Glorie doen op deze plaat op hun beurt dan ook een behoorlijke duit
in het zakje. De typische múm-elementen (speelse elektronica, de
stem en de accordeon van Kristin Anna Valtysdóttir…) zijn een ware
verrijking voor de pastorale, naar Sparklehorse en Lambchop neigende sound van Slowblow. Als
er iets is tot in de puntjes klopt aan deze cd, dan is dat het
samengaan van de vaak onwereldse klank van múm en de met beide
voeten in de grond wortelende country- en folkpop van het duo
Petursson/Jonsson. Het laatste wat ‘Slowblow’ mocht worden, was een
perfect afgewerkt product. Waar het de groep om te doen was, was
gewoon de magie van het moment proberen te vatten in enkele rake
songs. Dat die songs soms niet verder raken dan het stadium van de
grove schets is tegelijk de grote sterkte en de zwakte van de
groep. Laat u echter niet van de wijs brengen door deze kritische
kanttekening, want als u het tijdens deze barre dagen eens lekker
gezellig wil maken dan is er geen plaatje dat zich daar beter toe
leent dan dit. Tenzij u de soundtrack van Nói Albinói eerder al in huis haalde,
natuurlijk…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 12 =