La Nuit Américaine



Er zit een scène aan het begin van ‘La Nuit Américaine’, waarin een
crewlid van een filmploeg aan een acteur voorstelt om uitgebreid te
gaan dineren die avond. De acteur reageert geschokt: ‘Er zijn hier
37 bioscopen in de stad! We zullen wel zien of we niet tussendoor
een broodje kunnen eten of zo.’ Het is die mentaliteit van
“cinema-boven-alles” waar François Truffauts bekendste prent in
grote mate over gaat – ‘La Nuit Américaine’ is één van de
allerbekendste films over het maken van een film, en een deel van
de aantrekkingskracht ervan, ligt ongetwijfeld in de ongegeneerde
liefde voor de cinema die eruit spreekt. Ongeacht of je nu een
goeie of een slechte film maakt, het belangrijkste is dat je op een
set staat, dat de frames door de camera rollen en dat tientallen
mensen hun adem inhouden in de hoop dat het shot zal lukken. Eens
je dat hebt meegemaakt, is al de rest bijkomstig. Dan gaat het niet
meer over goed of slecht, maar over de ervaring.

‘La Nuit Américaine’ volgt de lotgevallen van een low
budget-filmploeg die de prent ‘Je Vous Présente Pamela’ inblikt.
‘Pamela’ is een melodrama over een jonge vrouw die verliefd wordt
op de vader van haar verloofde, en vanaf de eerste opnames waar we
getuige van zijn in Truffauts film, is het duidelijk dat dit een
flop zal worden. Voor alles wordt de goedkoopste oplossing gekozen,
de plot is infantiel, de dialogen zijn brak en we zien de acteurs
houterig over de set strompelen. Maar dat maakt nauwelijks verschil
– Ferrand, de hardhorige regisseur van dienst, neemt er de miserie
schijnbaar graag bij, enkel om toch maar de kans te krijgen om een
film te maken. Met een engelengeduld zien we hem lange wandelingen
over de set maken, waarbij hij elke vijf seconden door een cast- of
crewlid wordt lastiggevallen om een kleine of grote beslissing te
maken. Hoe moet het interieur van een slaapkamer eruit zien? Welke
revolver wil hij hebben voor het einde van de film? Een acteur is
te laat. Een kat weigert om op het gewenste moment van een
schoteltje melk te likken, enzovoort. Elke dag moet Ferrand duizend
problemen de wereld uithelpen, maar hij blijft onder alles
ogenschijnlijk kalm. Tijdens een paar korte, maar veelzeggende
scènes komen we te weten waarom: hij laat zich boeken opsturen over
Howard Hawkes, Ingmar Bergman, Alfred Hitchcock. Hij droomt over
zichzelf als kleine jongen die lobby foto’s van ‘Citizen Kane’ gaat stelen uit de inkomhal
van een bioscoop. Diep in zijn binnenste wil hij Orson Welles zijn,
maar sindsdien heeft hij zich er al lang bij neergelegd dat dat
nooit zal lukken. “Een film maken is net een ritje in een koets,”
horen we hem op de voice-over vertellen. “In het begin hoop je nog
op een mooie reis, daarna zul je al lang blij zijn als je levend op
je bestemming aankomt.”

In dit geval wordt de reis verder bemoeilijkt door een oudere
actrice die zwaar aan de drank zit en geen twee woorden tekst kan
onthouden, een hoofdacteur die zich op de set steeds professioneel
gedraagt maar een enorme faux pas begaat door te sterven
voor de film af is, een jongere acteur die over de set loopt als
een tiranniek klein kind en een hoofdactrice die net een
zenuwinzinking te boven is gekomen en nu nog steeds een beetje
wankel in haar schoenen staat. Samen met alle gewoonlijke
logistieke moeilijkheden van een filmproductie, krijgt Ferrand dus
ook nog eens met de grillen van z’n cast af te rekenen en we zien
de regisseur, in tegenstelling tot het clichébeeld van de bazige,
luid brullende filmmaker, niét uit z’n sloffen schieten of z’n
geduld verliezen. Nee, Truffaut speelt Ferrand als een koppig
mannetje die misschien niet al te veel talent heeft maar eens
zoveel vastberadenheid om een film te maken, eender welke, ook al
is het dan een slechte. Met stille vastberadenheid zet hij zich
schrap en besluit hij om hoe dan ook, kome wat er kome mag, door te
gaan, om nooit stil te blijven staan bij z’n tegenslagen. En zo
gaat de productie voort.

Waar de meeste (en zeker de Amerikaanse) films over film maar al te
vaak vervallen in een cynisch exposé van de “industrie”, spreekt
uit ‘La Nuit Américaine’ in de eerste plaats dus een grote liefde
voor de filmwereld, de mensen die erin rondlopen en het proces van
het filmmaken zelf. Alphonse, de zeurderige jonge acteur, vraagt op
een bepaald moment aan Ferrand of vrouwen misschien magisch zijn –
is het daarom dat hij nooit een vrouw aan zich kan binden? Ferrand
antwoordt de enige waarheid die hij zelf kent: vrouwen zijn
misschien niet magisch, maar de cinema wél.

Vooral de cinema van Truffaut, zo blijkt: als één van de peetvaders
van de moderne Franse film, was hij steeds opnieuw verantwoordelijk
voor koetsritjes die de moeite meer dan waard waren. In ‘La Nuit
Américaine’ biedt hij een verrassend milde, sympathieke blik op die
enorme ploeg mensen die zijn films mogelijk maken – ook al hebben
ze dan allemaal hun eigenaardigheden en ergerlijke karaktertrekjes,
Truffaut ziét zijn personages graag, en dat merk je. Kortstondige
romances beginnen en eindigen tijdens het productieproces,
persoonlijke problemen komen de boel verstoren, roddel en
achterklap zijn aan de orde van de dag, maar de manier waarop
Truffaut het in beeld brengt, is niet verwijtend of bitter. In
tegendeel, hij erkent meer dan wie ook dat filmmaken een bezigheid
is voor een ploeg mensen, niet voor één individu – en uiteindelijk
is het dat waar al die mensen fundamenteel mee bezig zijn. Een zo
goed mogelijke film draaien, of het nu lukt of niet. Truffaut voelt
zichtbaar respect en liefde voor die mensen en dat magische proces
waar ze deel van uitmaken, en dat straalt van elke seconde van ‘La
Nuit Américaine’ af.

Ook visueel is dit één van z’n betere films: Truffaut houdt van
lang aangehouden shots, veelal uit de losse pols gefilmd, en heel
vaak krijgen we van die travellingshots die beginnen met één
personage en dan halverwege plots een ander gaan volgen. Zo kunnen
we voor een bepaald shot vertrekken met Ferrand, tot die Alphonse
ontmoet, waarna de camera Alphonse verder volgt, in dezelfde take.
Waarom zou dat niet mogen? De manier waarop de focus van scènes
steeds verschuift van het éne personage naar het andere, is
bijzonder knap in elkaar gestoken (er moet een minutieuze timing
aan vooraf zijn gegaan) én houdt de film ook visueel fris.
Uiteindelijk bestaat ‘La Nuit Américaine’ grotendeels uit pratende
acteurs, en hoe lang kun je daar een boeiend schouwspel rond
opbouwen?

‘La Nuit Américaine’ is de liefdesbrief van een cinefiel aan het
medium waar hij van houdt. Goed geacteerd, inzichtrijk en
meelevend, is dit een staalte pure cinema.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 2 =