Starving :: Tout N’est Pas Rose

Wel wel wel… Hier sta ik nu zelf van te kijken, zie. Ik heb lang
geaarzeld om een dergelijke, hoge quotering toe te kennen aan de
eerste full-cd van deze band uit het Waalse Dour, maar hoe meer ik
deze plaat speel, hoe meer ik haar gerechtvaardigd vind. Starving
is wereldberoemd in Wallonië, boven de taalgrens zijn zij alsnog
onbekend bij het grote publiek, maar als het van mij afhangt is dat
slechts een kwestie van tijd. Wie zijn dan deze inconnus?
Geenszins een onervaren, beginnend bandje. Starving zag het
levenslicht in 1997 (aanvankelijk als kwartet, nu zijn ze met zes),
bouwde door de jaren een stevige live-reputatie op en nam deel aan
verscheidene rock-concours. In 2000 wonnen ze Templin (goed voor
een stek op Dour), in 2001 kaapten ze de eerste prijs weg op Verdur
Rock en mochten ze een minitournee maken in het Canadese Québec. Al
gauw volgde er een e.p. (met daarop ‘La Plage’, een klassieker
bezuiden de taalgrens) en kregen ze voldoende airplay op radio en
tv om met een gerust gemoed en vol zelfvertrouwen de studio in te
duiken voor een eerste full-cd.
Louter muzikaal gezien overspant Starving grof geschat een heel
decennium. Met het ene been staan ze in de new
wave/postpunt/synthpop uit de jaren ’80, met het andere in de
stevige(re) gitaarrock en -pop van de jaren ’90. Hoe meer zielen,
hoe meer muzikale voorkeuren, en in dit geval ook voor de
luisteraar hoe meer vreugd. Hoe gaan ze dat voor mekaar krijgen,
vroeg ik me voor een eerste draaibeurt af. Met verve, kan ik alleen
maar besluiten.
Wat maakt deze plaat zo sterk? Het solide samenspel van zes ervaren
muzikanten; ze smokkelen inderdaad alle zes hun voorkeuren (en
invloeden) mee naar binnen, maar lopen elkaar nergens voor de
voeten. Elektronische beats en echte trommelvellen spelen geregeld
haasje-over; akoestische en elektrische gitaren lopen spannende
aflossingswedstrijden; gitaren en keyboards vullen elkaar aan als
yin en yang en zijn het vaak zo roerend eens dat ze wel uit één
mond lijken te praten; de bassen geven ons een lesje geschiedenis
met als thema “Bassen met wereldklasse in de 20ste eeuw”. Zelf
halen ze Visage, Björk, Killing Joke, Mogwai en zelfs Abba aan als
muzikale invloeden, maar ik heb ook flarden Joy Division, New
Order, Garbage en No Doubt opgevangen.
Dé grote troef van Starving is echter frontvrouw Claudia
Chiaramonte, begiftigd met een stem(timbre) dat ijsbergen doet
smelten en water laat verdampen. Hoe kil en koel de muziek soms ook
mag klinken, haar sensuele zang jaagt de temperatuur keer op keer
de hoogte in, tot ver boven het kookpunt. Zij is geen technisch
zangwonder, haar stembereik is misschien eerder beperkt, maar daar
weet zij wel het maximum uit te halen. Ze doet meer dan zomaar
zingen, ze vertolkt. Ze klinkt afwisselend poeslief, kattig,
droevig, dreigend, depressief, vrolijk, apathisch, en dit alles met
evenveel overtuiging. Haar teksten zijn dan ook uit het leven
gegrepen; sarcastisch (‘Telephone Rose’), expliciet (‘Allumeuse’),
uitdagend (‘Macho’), pakkend (‘Coma Sutra’) of ronduit simpel maar
schoon (‘Mots Doux’). Chiaramonte is geen babe, zelfs niet als je
haar foto bekijkt met half toegeknepen ogen, maar klopt haar
seksegenotes met een straatlengte als het aankomt op charme en
‘naturel’. Ik ben met andere woorden – ahum – verkocht…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + negen =