The Score



123 min. / USA

In 1989 verscheen ‘Family Business’, een misdaadkomedie
van Sidney Lumet met als voornaamste verkoopsargument de
aanwezigheid van drie generaties goede acteurs: Sean Connery,
Dustin Hoffman en Matthew Broderick, als grootvader, vader en zoon.
De film werd een flop ondanks hun aanwezigheid, aangezien het
doodgewoon geen goede film was, maar het idee om twee legendes van
de moderne cinema te combineren aan een algemeen erkend jong
talent, was te goed om eeuwig te laten liggen.

En dus krijgen we nu ‘The Score’, opnieuw een misdaadfilm met een
cast om van te watertanden: Marlon Brando, Robert De Niro en Edward
Norton. En opnieuw is de film een teleurstelling, hoewel niet zo’n
zware als ‘Family Business’ was.

De Niro speelt Nick Wells, een professionele inbreker die er
stilaan aan denkt met pensioen te gaan – hij heeft van de
opbrengsten van voorbije klusjes een jazzclub geopend, hij heeft
een goede relatie met zijn vriendin Diane (Angela Bassett) en hij
wil gewoon wat rust in z’n leven. Wat denkt u? Zou er misschien
iemand naar hem toekomen met nog één laatste, gevaarlijke klus die
hem voor de rest van z’n leven op rozen kan laten leven? Natuurlijk
gebeurt dat, en de persoon in kwestie is Max (Marlon Brando), al 25
jaar lang Nick’s vriend en partner. Max heeft een jonge
aspirant-dief ontdekt, Jack (Edward Norton), die onder een valse
identiteit een baantje als hulpje van de conciërge van het “House
of Customs” (douanegebouw) van Montreal heeft gekregen. In dat
douanegebouw wordt een in beslag genomen scepter bewaard die 30
miljoen dollar waard is.

Van daaruit krijgen we alle elementen die we verwachten van een
zogenaamde heist-film: we zien hoe De Niro en Norton zich op de
klus voorbereiden, we zien dat ze elkaar niet helemaal vertrouwen,
we zien hoe de beveiliging van de scepter op het laatste moment
wordt verhoogd en uiteraard is er de klus zelf.

Ik kan altijd sympathie opbrengen voor een film die het aandurft om
een cliché ter grootte van een kathedraal de plot binnen te sleuren
en dan te zien of hij zich boven dat cliché zal kunnen verheffen.
Neem nu bijvoorbeeld een film als Election, om er maar eentje te
noemen. De highschoolfilms komen me zo stilaan m’n strot uit, maar
‘Election’ neemt de clichés van dat genre en doet er fantastische
dingen mee. Iets gelijkaardigs probeert ‘The Score’ ook te doen.
Regisseur Frank Oz weet ook wel dat we het allemaal al eerder
hebben gezien: de oudere crimineel die ermee wil ophouden, de
ambitieuze jongeling de eigenlijk niets meer is dan die oudere
crimineel een aantal jaar geleden, de omschrijving van het doelwit
als “het best bewaakte gebouw ter wereld” enz… Hij weet dat dit
allemaal clichés zijn, maar hij probeert ze om te draaien en er
iets nieuws mee te doen. En dat zou heel mooi zijn geweest, als het
hem gelukt was. Maar dat is dus niet het geval. ‘The Score’
ontwikkelt zich dermate traditioneel dat het bijna een beetje
vervelend wordt. De clichés blijven clichés en niets meer.

Niet dat de acteurs daar iets aan kunnen doen – Robert De Niro is
betrouwbaar als altijd, en deze rol is ieder geval een stap in de
goede richting na het abominabele ’15 Minutes’. Hij kijkt weer op
een indrukwekkende manier droefgeestig voor zich uit, zoals hij dat
ook deed in bijvoorbeeld ‘Casino’ en zijn eigen film ‘A Bronx
Tale’. Marlon Brando heeft een kleinere rol, als man achter de
schermen, maar wanneer hij dan toch opdraaft, is het ook een
genoegen om hem te zien. Voor het eerst in jaren weet hij z’n
teksten te articuleren zodat het publiek ook kan volgen, en heel af
en toe zie je achter zijn opgeblazen gezicht zelfs nog even de
helderheid die er was in zijn gloriedagen. Zijn ‘On The
Waterfront’-dagen. Zijn ‘A Streetcar Named Desire’-dagen. Nee,
natuurlijk zet hij hier geen rol neer die daarmee kan concurreren.
Maar het is wel nog steeds dezelfde Brando. Ouder, dikker en met
heel wat pijnlijke levenservaring op z’n gezicht geschreven, maar
het is nog steeds Marlon.

En dan is er nog Edward Norton, een acteur die z’n debuut pas
maakte in 1996, maar ondertussen al zover is gevorderd dat hij in
deze film aan zichzelf kan refereren. De valse identiteit die Jack
gebruikt om z’n baantje in het douanehuis te behouden, is immers
die van een mentaal gehandicapte, en gedurende een aanzienlijk deel
van de film houdt hij z’n hoofd een beetje scheef en spreekt hij
aarzelend, stotterend. Het is een mooie performance, én het is een
overdrijving van wat hij zelf eerder deed in z’n debuutfilm ‘Primal
Fear’. Wie die film heeft gezien, zal het wel begrijpen: de
achterlijke die Norton hier speelt, is eigenlijk het personage
Aaron uit die film in het kwadraat. Het is er misschien een beetje
over, maar ik kon er wel mee lachen.

Minder goed nieuws echter voor Angela Bassett: haar personage,
Diane, komt nauwelijks in een paar scènes voor, en de actrice heeft
dan ook weinig meer te doen dan af en toe op te komen draven om De
Niro onder druk te zetten zich te vestigen en met haar te trouwen.
Als motiverend personage voor De Niro is ze echter niet
overtuigend, aangezien we haar niet kennen. We weten niet echt wie
ze is of hoe haar relatie met De Niro er werkelijk uitziet. Hoe kan
dat ook? Ze komt hoop en al tien minuten lang voor in de
film.

Het echte probleem met ‘The Score’ is dat de klus waar het om
draait gewoon niet moeilijk genoeg lijkt. Het douanehuis wordt
voorgesteld als de veiligste plek op aarde, maar je kunt er wel
gewoon bij vanuit de riolering. De beveiliging wordt gedaan door
een gespecialiseerde firma, maar de werknemers zijn onmiddellijk
omkoopbaar. De kluis waarin de scepter zich bevindt, is één van de
meest geavanceerde ter wereld, maar De Niro heeft schijnbaar geen
enkele moeite om een systeem te vinden waarmee hij het ding binnen
de vijftien minuten openheeft. Vergelijk dat even met de kraak in
‘Ocean’s Eleven’!

Niet dat de klus hier even ingewikkeld hoeft te zijn – in tegendeel
zelfs, want de tactieken van de heren uit ‘Ocean’s Eleven’ leken me
vaak wel zeer ver gezocht. Maar je moet wel het gevoel hebben dat
dit een haast onmogelijke taak is. Hoe hoort het dan wel? Wel, kijk
nog eens naar de beroemde scène uit ‘Mission: Impossible’ waarin
men Tom Cruise aan draden door een ventilatiegat een kamer in laat
zakken. Hij mag de grond niet aanraken, zelfs een druppel zweet kan
het alarm laten afgaan… Ook al was ‘Mission: Impossible’ geen al
te beste film, die scène was ronduit briljant: het was simpel, het
was schijnbaar onmogelijk en de kraak zelf bevatte genoeg
verrassingen om iedereen op het puntje van z’n stoel te brengen. In
‘The Score’ daarentegen, twijfel je geen moment dat het de heren
zal lukken: de uitdaging lijkt gewoon niet groot genoeg. Als je
moet geloven dat De Niro een professional is die in 25 jaar nooit
gesnapt is, dan wéét je gewoon dat hij dit aankan.

Er zitten een paar goeie scènes in de film: de
informatie-overdracht in het park is goed in elkaar gestoken, en
maakt het zelfs heel even spannend (let wel: heel even). En ik heb
ook enorm genoten van de aanwezigheid van een jeugdige
computer-hacker waarmee De Niro bevriend is. Op sleutelmomenten
tijdens zijn aandeel in de kraak wordt hij door zijn moeder
geroepen (Steve, dinner’s ready! – I’m on the fucking phone,
bitch!) in scènes die verdacht sterk herinneren aan Rupert Pupkin’s
bemoeizieke moeder in ‘The King Of Comedy’.

De elementen van een goeie film zijn er dus wel, maar helaas blijft
de plot steken in de clichés van z’n personages en in de zwakte van
de kraak. Jammer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 13 =