Dumbo (2019)

Tim Burtons nieuwe versie van de Disney-klassieker uit 1941 is – zonder ook maar ooit het niveau te halen van het beste werk van de regisseur – beter dan Charlie and the Chocolat Factory of Alice in Wonderland, maar het lijkt er toch steeds meer op dat materiaal waarvan je op het eerste zicht zou denken dat het perfect past binnen de stijl en aanpak van Burton, hem zelden inspireert tot zijn grootste films.

Het origineel van Ben Sharpsteen was zeker niet een van de grootste picturale parels uit de Disney-stal en blijft – ondanks een paar memorabele animatiehoogstandjes – vooral overeind als stichtend verhaal over geloof in eigen kunnen. Deze nieuwe interpretatie is hoegenaamd niet geïnteresseerd in die piste en ruilt deze in voor een veel klassieker David vs. Goliath verhaaltje. Dumbo wordt nu immers geboren in een circus dat onder financiële druk staat door de veranderende tijden – de intrede van de moderniteit aan het eind van de negentiende eeuw is prominent aanwezig – en wanneer het wonder van de vliegende olifant bekend raakt, wordt het gezelschap van directeur Medici (Danny DeVito) overgenomen door een rijke pretparkeigenaar (Michael Keaton die voor het eerst sinds heel lang nog eens met Burton samenwerkt). Wanneer blijkt dat de nieuwe baas weinig goeds in de zin heeft, ontaardt de prent in een wat saaie strijd tussen de circusmensen en de grootindustrieel, met als inzet de vrijheid van de kleine olifantenwelp.

Anders dan in de eerste versie slaagt Burton er wel bijzonder goed in om de sfeer van de circusomgeving treffend naar het scherm te vertalen en het sterkste element in Dumbo is zeker de rake schets van de circuswereld. Wanneer de jonge olifant met de veel te grote oren voor het eerst vliegt is dat net als tachtig jaar geleden tijdens een clowneske act en haalt de film maximale kracht uit de levendige schildering van het leven in de ring. Het moment waarop het als droeve clown opgemaakte dier opkomt genereert ook precies het soort van bizarre poëzie die we met de naam van de cineast achter Edward Scissorhands, Batman, Big Fish en Beetlejuice associëren en die Dumbo helaas al te veel ontbeert. Bij vlagen slaagt de prent er in een oprechte broze filmische betovering op te roepen en valt er magie te rapen, al te vaak is dit echter bijzonder mechanisch amusement dat op vermoeiende wijze nietszeggende actiescènes afwisselt met klef familiaal drama (Colin Farrell speelt de weduwnaar die een arm verloor op het slagveld en nu de band probeert aan te halen met zijn twee kinderen, die uiteraard vriendschap sluiten met de olifant). Verhaaltechnisch is deze nieuwe Dumbo dan ook veel te overladen en de charmante eenvoud van het origineel is vaak volkomen zoek.

Ironisch genoeg is de sterkste scène in dit wat zielloze spektakel exact dezelfde als in de getekende versie: daar drinken Dumbo en zijn muizenvriendje per abuis champagne, waarna ze tijdens hun delirium vergast worden op een parade van roze olifanten die op swingende wijze van vorm en gedaante veranderen. Anno 2019 is het uiteraard absoluut politiek incorrect om zelfs een baby olifant alcohol te laten drinken op het scherm – ‘no booze for the baby’ grapt DeVito – dus zit dit moment verwerkt in een circusnummer dat de vliegende dikhuid aankondigt: met de hulp van zeepsop worden exact dezelfde figuren tot leven gebracht – nu uiteraard met de hulp van ‘state of the art’ computereffecten – en het resultaat is verbluffend en wellicht het enige beeld in Dumbo dat echt geïnspireerd is – de figuren reflecteren in het oog van het jonge dier en de CGI tovenaars slagen er in een diep gevoel van verwondering in het moment te leggen.

Helaas is de rest van deze blockbuster een pak minder geïnspireerd en blijft een wat halfslachtig en wankel filmpje over dat veraf staat van de verrukkelijke cinematografische poëzie die Burton ooit placht te brengen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in