Diary of the Dead




Iedereen die van zombiefilms houdt, houdt van George A. Romero. Hoe
kan het ook anders, de knar der knarren stond nu eenmaal aan de
wieg van het genre dat nog steeds als een overrijpe mandarijn in de
zon ligt te te composteren en waar de levende doden als traag
voorbijslenterende Walen op zoek gaan naar een sappig brokje
mensenvlees. De puslekkende strompelaars zijn de laatste jaren dan
wel geëvolueerd tot een soort adhd-zombiesuperras, toch blijft het
respect voor peetvader Romero, die naast zijn Dead-saga eigenlijk
bitter weinig tot helemaal niks heeft gepresteerd wat het vermelden
waard is. Met het kige maar smakelijk uitgekauwde ‘Land of the Dead’ gaf
hij zijn comateuze carièrre en de franchise waar het allemaal mee
begon nog eens een flinke reboot, en nu is er dus ‘Diary
of the Dead’, de vijfde en hoogst waarschijnlijk nog lang niet
laatste in de besmette bloedlijn. Maar opa Romero mag dan nog o zo
gewiekst inpikken op de YouTube-cultuur van de klikkende jeugd, het
knipooggehalte dat van ‘Land of the Dead’ nog
net een aanvaardbare guilty pleasure maakte is volledig
verdwenen en het enige dat ons nog rest is een pessimistische preek
over de rottende geest van de mensheid. En dat terwijl hij alleen
maar rottende karkassen met veel enthousiasme uit elkaar had moeten
laten spatten. Silly old man…

Midden in de nacht, ergens in de bossen van Pennsylvania. Een bende
filmstudenten is volop bezig met de opnames van een filmproject.
Iets met een gezwachtelde mummy die te snel loopt en een deerne
wiens borsten niet gewillig genoeg uit de decolleté wippen. We
hadden er graag meer van gezien, maar dan komt het onrustwekkend
nieuwsbericht dat de doden terug tot leven komen. Sapperloot zeg.
Geleid door een obsessieve Jason (Joshua Close), die de hele
apocalyptische gebeurtenis op camera vastlegt, slaan de
vrijgestelde studenten, samen met hun drankorgelende leraar (een
Engelsman dan nog), op de vlucht met hun busje. Op zoek naar een
veilige plek en op zoek naar een nog actieve internetverbinding om
de vers geschoten beelden van de living dead de wereld in
te sturen. Maar hoe zat het nu met die deerne en haar
decolleté?

Voor ‘Diary of the Dead’ richt Romero zijn satirische pijlen (zeg
maar mokerhamers) op de de massamedia en de steeds dominanter
wordende beeldcultuur. Sociale commentaar was altijd al een vaste
waarde in de zombiesaga van Romero, net zoals belabberde
acteerprestaties en prettig gestoorde goor, maar voor ‘Diary of the
Dead’ staat hij toch wel heel hard te schreeuwen om een hey,
what’s wrong with us!
-boodschapje in de strot te rammen. Dit
is al lang geen pretentieloos en hersenloos B-filmpje meer, het is
een negentig minuten durende preekfilm over de niet zo langzame
verloedering van de maatschappij, waar geheel toevallig, af en toe
eens een ondode bij mag passeren. Als hij snel genoeg is.

Het evenwicht tussen onnozel zombievertier en een relevante
maatschappijkritiek was altijd een troef van Romero (en de reden
waarom ‘Night of the
Living Dead’
en ‘Dawn of the Dead’ uitgegroeid zijn tot tot
genreklassiekers), maar voor zijn nieuwste blijft hij net iets te
vaak hangen bij de weinig subtiele satirische laag, die zich deze
keer vastpint op de fixatie van de jongeren met snelle en virtuele
beeldencommunicatie. ‘If it’s not on camera, it’s like it never
happened, right?
‘ horen we een paar keer uit de slecht
acterende mond van een vrouwmens rollen, en Romero maakt daar
natuurlijk een relevant punt, maar kan je nog van een intelligente
subtext spreken als die sociale commentaar constant in het gezicht
van de toeschouwer wordt gesmeerd? Dat werkt na een tijdje niet
alleen bijzonder belerend, maar wat veel erger is, de spanning van
de film gaat er onder lijden. Op den duur begint ‘Diary of the
Dead’ meer te lijken op goedkoop verfilmde doemscenario’s die
ontstaan zijn in workshops over de o zo demonische neveneffecten
van de media. Het is allemaal ergens wel interessant (zeker voor
mediawatchende McLuhanisten), maar als zenuwtintelende horrorprent
werkt het langs geen kanten. Er zit geen enkele spannend opgebouwde
scène in ‘Diary of the Dead’ omdat Romero geen enkel moment onbenut
laat om zijn gal te spuwen over de moderne maatschappij.

Visueel krijgen we een passende first person view die de
film effectief laat overkomen als een op YouTube opgeviste collage
van beelden. In navolging van ‘The Blair Witch Project’ verpakt
Romero ‘Diary of the Dead’ als een soort found footage-film waar
pseudo-amateuropnames en nieuwsberichten (de creepy opening is met
verre voorsprong de beste scène uit de film) tot een min of meer
samenhangende narratief geheel worden gebricoleerd met een
apocalytische voice-over die heel veel weg heeft van Sarah Connor
uit ‘The Terminator’. In tegenstelling tot ‘Cloverfield’, een film
die gemaakt is voor dezelfde generatie waar Romero zijn commentaar
op geeft, is die shakycam-bedoening dus niet zo zeer een
gimmick, maar eerder een visuele voortzetting van de
thematiek en subtekst. En zo kan hij de bescheten beeldvoering van
zijn no budget-project ook goedpraten natuurlijk. De ironie wil
natuurlijk dat ‘Cloverfield’ veel meer
spanning, suspens uit de gimmick haalt dan Romero uit de
metatekstuele reflectie. In plaats van krijsend weg te vluchten van
de zombies of de fuckers te bewerken met één of ander scherp
voorwerp, krijgen we hier personages die vooral geïnteresseerd zijn
in de manier waarop ze de ondoden zo goed mogelijk in beeld
brengen. Behoorlijk onnozel om een gast voor zijn leven te zien
worstelen met een zombie, terwijl hij hem probeert te filmen met
een camcorder.

Dat klinkt dus allemaal alsof Romero vooral pretentieus naar zijn
eigen navel aan het staren is, en dat is het ook wel een beetje,
maar hij is nu ook niet alles vergeten wat hem een legende maakte
bij menig cult-en horrorliefhebber. De politiek-sociale satire
druipt dan wel als een net uitgelepeld oog, de film scoort het
hoogst wanneer Romero zich herinnert dat het uiteindelijk ook ‘maar
een zombiefilm’ mag zijn. Romero is dan wel meer geïnteresseerd in
zijn taterende (bewust of onbewust, de dialogen zijn affreus) en
hallucinant slecht acterende protagonisten, het zijn de meer
onnozele B-momenten die ‘Diary of the Dead’ even wat
schwung en relativering meegeven. Soms heb je die draad
van satire nodig om je crap van betekenis te voorzien,
maar soms heb je nog veel harder een doof Amishboertje nodig die
met een staaf dynamiet wat zombies van zijn erf blaast. De leuke
zombiemomentjes zijn schaars, maar als ze opduiken komen ze als een
verlossende schop tegen de kont die de fans al joelend zal laten
opwippen van plezier. Let bijvoorbeeld op het korte, maar krachtige
defibrilatormoment. Net zo met de Britse professor die Brits is
omdat hij professor is, en professor is omdat hij Brits is. Een
personage dat langs geen kanten steek houdt en naar het einde toe
zelf gewoon gereduceerd wordt tot een wauwelende zatlap (mornings
and mirrors kreunt ‘m bij het krieken van de dag), maar steek een
pijl en boog in zijn handen en hij is heel even de verlossende held
van de dag.

Romero mag dan nog iets zinnigs te zeggen hebben over de gevaren
van een gemediatiseerde maatschappij, het zou ook tof geweest zijn
mocht hij een lekker, sappig zombiefilmpje rond zijn prekerige
commentaar hebben geknutseld. Een sporadisch clever momentje (let
op zijn sneer naar de opgefokte zombie’s van Danny Boyle en co.),
even een zweem van zelfbewuste crappiness, een handvol
(on)bedoeld grappige momenten, maar vooral heel veel repetitief
gezaag en veel te weinig uiteenspattende zombiekoppen. Het is nog
niet slecht genoeg om te zeggen dat hij er te oud voor is geworden,
maar Romero begint toch verdacht veel gelijkenissen te tonen met
een verbitterde opa die alles en iedereen wantrouwt en dat
ondertussen nog eens dagelijks tegen alles en iedereen moet zeggen.
En niemand gaat graag op bezoek bij die opa.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in