Zondag 5 juli: Sprinten met Usain Bolt
Is zo’n festival een slijtageslag? Neuh, je moet gewoon twee dagen rust pakken voor je piekt. Terug op de wei, in full form: (mvs) Want laat u niets wijsmaken door al die Pommelien-fans: het beste moet nog komen. En dat in de vorm van:
Tsar B, om te beginnen. “Bedankt om hier zo vroeg te zijn”, zegt Justine Bourgeus. En ze voegt er aan toe: “om naar violen te luisteren!” Want nog steeds is die strijkplank haar onmisbare metgezel, die meteen de toon mag zetten in “Dolce”, dat ze zittend op het podium van celliste Trui Amerlinck brengt. Voor “Symphony” verhuist ze na een ijle intro naar het centrum, wanneer de eerste beat uit de boxen is gespat. Amerlinck jaagt er vervolgens een sirene door, want laat alsjeblief niemand denken dat hier een klassiek recital op het programma staat.
Daarvoor dreunt “Underwater” te hard op doorpompende bassen, om te beginnen. Bourgeus neemt de handschoen op, gaat met haar viool in duel met de elektronica. Het wordt een knock-out die uitmondt in ziedend gesoleer als uitroepteken. En “Amor” mag dan zijn wortels hebben in een vijfhonderd jaar oud klassiek stuk van Monteverdi, ook dat geeft ze haar eigen draai. De polyfonie van de Italiaanse componist mag van haar botsen met donkere beats, kletterende percussie, en natuurlijk: haar viool.
Het beste is “Song By The Sea”, met zijn wonderbaarlijk mooi refrein. “If you wanna live forever, we can do it”, smacht ze, en ze gooit er schalks “can you do it?” richting ons tegenaan. “Mrs. Impatience” bouwt vervolgens via een kermistoeter en luid stuiterende beats op naar bonkende trance, die de angelieke zang van Bourgeus bijna versmacht. Dat is de bedoeling, dus het is ok zo. Minder fijn is dan weer dat het daarmee alweer voorbij is, en dat is alweer zonde. Werchter zou beter moeten weten dan artiesten slechts 35 minuten speeltijd te geven. Dat is àltijd te weinig. Doe dat niet.
Vorig jaar braken ze The Slope zo vakkundig af dat de Schuer niet anders kon dan die door een nieuw podium te vervangen. Meteen krijgen Bad Nerves de kans om hun kunstje op de Main Stage los te laten; die zit iets steviger in elkaar, en het is vandaag ook vroeger dan vorige keer, geeft frontman Bobby Nerves toe. Hij moet er wat harder en langer aan sleuren, dus, maar dat wil niet zeggen dat hij het niet wil proberen. “Ik zie maar twee mensen in iemands nek zitten. Kom op, voor de volgende song wil ik iedereen in een nek zien zitten.” Waarop de muzikanten achter hem er nog eens eenzelfde soort nummer uitrammen.
Dat is niet erg. Net als bij The Ramones gaat het bij Bad Nerves net om die oerkracht door herhaling, en eindeloos doorjakkeren. Bobby herinnert zich vorig jaar overigens. Vààg. “That was wild, innit?”, vraagt hij. “We gaan dat nog eens doen.” En het is tijd voor “Radio Punk” en vervolgens “Network”, de nieuwe single die door henzelf in de markt is gezet als hun zwaarste ooit. Kan kloppen. Hulde overigens aan de eeuwig doormeppende drummer Samuel ‘Machine Gun’ Thompson: het is ondertussen best warm in deze zon. Waarna Bobby een onbekend nummer aankondigt als eentje dat ze tot een minuut kunnen beperken. We hebben het voor de lol gechronometreerd: vijftig seconden volstonden, het soort sprintwerk dat zelfs bij Usain Bolt goedkeurend geknik uitlokt. Doorbraaksingle “Can’t Be Mine” (nog altijd niet kapot te krijgen) volgt, maar toch blijft het gevoel hangen dat deze Main Stage net dat maatje te groot was voor deze groep. Jammer voor hen, maar het scheelt wel mooi op Hermans podiumbudget volgend jaar.
“Goeiemorgen, wij zijn Dressed Like Boys“. Nope, Jelle Denturck is ook geen ochtendmens, maar zie: dat heeft hem wel een afgesloten Klub C opgeleverd. Dat is nog geen beetje terecht, want wat was dit concert weer om duimen en vingers bij af te likken. “Nando” was de perfecte opener, zoals het mag openbloeien van pianotrack naar breed uitwaaierende glamrock. “Healing” – nog altijd vijftig procent “All The Young Dudes” – heeft die vibe maar binnen te koppen, om Denturck vervolgens in staat te stellen de hele boel muisstil te krijgen. “One breath at a time”, bezing hij in “Jaoaud” de gelijknamige queer-artiest, en wanneer alweer zo’n epische gitaarsolo van Nathan Ysebaert is afgelopen, blijft hij met het hoofd op zijn toetsenbord alleen achter.
Het is een knappe theatrale vondst hoe hij zo, moederziel alleen, opnieuw begint te spelen, en langzaam rechtkomt voor het nieuwe “And Then I Woke Up”. Wat volgt, als de band er opnieuw bij is, is niet meer dan de laatste rechte lijn.
Een trio wereldnummers die uit Britse of Amerikaanse bron tot grote rijkdom hadden geleid, heeft maar binnen te koppen. Voor “Lies” pakt Denturck even zijn gitaar, “Pinnacles” is de grote klepper. “Over the wall there are pinnacles, over the wall I will go”, belooft hij, Ysebaert maakt er de mooiste Bowiesong van die The Dame halfweg jaren zeventig vergat te schrijven. En dan volgt het traditionele geschiedenislesje waarvan je verwacht dat iedereen het ondertussen kan meelippen: New York, 1969, The Stonewall Inn. Denturck brengt het nog altijd verbeten, als een intro die hij er in wil hameren vooraleer we samen die vuist kunnen ballen.
Het is niettemin wat “Stonewall Riots” nodig heeft. Pas als je weet wat het betekent, wat de emotionele lading is, komt de tekst – volledig opgetrokken uit getuigenissen van toen – helemaal binnen, voel je hoe intens die “angry days and sleepless nights” moeten geweest zijn. “Queens are gathering”, zingt Denturck, en de vuisten gaan in de lucht om niet meer te zakken. Ook de frontman, al zijn muzikanten, eindigen met gebalde vuist. En om het punt helemaal af te maken, bedankt de groep op de tonen van “Somewhere Over The Rainbow”, gewikkeld in een reuzengrote regenboogvlag.
Het is een statement, maar een dat ook vandaag nog altijd nodig is, en urgent voelt. Dressed Like Boys was vandaag de mooiste, zachtste vorm van rebellie denkbaar.
Die van Mogwai zijn ondertussen ook de kaap van de vijftig aan het ronden, en dat voel je vandaag. Hun set in The Barn baadt in een licht melancholische vibe, die het voortschrijden der jaren verraadt, het is maar af en toe dat de groep nog eens rolt met de spierballen. En net daardoor komen die momenten daarom des te harder aan. Je voelt het in de warme opener “Yes! I Am A Long Way From Home”; wanneer Stuart Braithwaite zijn Big Muffpedaal intrapt, is het een aangename klets in het aangezicht. Ook “Hi Chaos” ontspoort met volle goesting in ziedende noise, om tot stilstand te komen in witheet woestijnzand.
Meer dan vroeger zingt Braithwaite hier, is Mogwai minder de postrockband van weleer. Het delicaat hezongen – sorry, die vervelende West-Vlaamse bankbedienden naast me ontregelen zelfs mijn notities – “Come On Die Young” grenst zo aan het soort slowcore waarop Duyster werd gebouwd, net als het recentere “Ritchie Sacramento”. Doorheen “Pale Vegan Hip Pain” waait dan weer de wind van een Morriconegitaartje.
Zelfs al komt het vandaag in een ‘korte’, slechts tien minuten durende versie; het is alweer “Mogwai Fear Satan” dat de kern van de set vormt. Minutenlang laten Braithwaite, Dominic Aitchison, Barry Burns en tourend bandlid Alex Mackay op hun snaren die melodie aan- en afzwellen, terwijl Martin Bulloch roffelt en roffelt op zijn drums. Tot in het hart van de duisternis, het oog van de storm ontstaat. “Dit is zweefmuziek”, gilt een trien voor me op het stilst mogelijke moment van de set, en ik grijns. Weet zij veel wat te gebeuren staat.
Het gekke is dat ik nu pas, nu ik dit nummer voor – ruw geschat – de twintigste keer live hoor, voor het eerst kijk wat dan gebeurt op het podium. Namelijk: niets. Terwijl de band in een klap een muur van geluid optrekt, een wervelwind aan gitaren over de Barn blaast, hebben die vier zoutpilaren vooraan het podium geen wenkbrauw opgetrokken. Als de onbewogen bewegers van hun eigen muzikale universum. Het is, voor de zoveelste keer, verbluffend, hoe “Fear Satan” hoofd, hart en lijf leegblaast.
“Remurdered” volgt nog, dansend op een erg krauty synthesizer. “We’re No Here” en “Lion Rumus” sluiten nog af. Het doet nauwelijks ter zake. Wie “Mogwai Fear Satan” heeft gespeeld, heeft zijn spel uitgespeeld. De rest is bijgedachte.
De Pukkelpop-wisselbeker voor ondankbaarst geprogrammeerde act gaat vandaag naar A Perfect Circle. Niet alleen verdient deze band een moment of locatie waar hun fenomenale lichtshow kan schitteren, en meer dan een uur speeltijd, bovendien overlapt de bedevaart naar Barn en Byrne met de tweede helft van hun set. Gelukkig blijven reverend Maynard James Keenan en zijn hobbyband (en Billy Howerdels day job) staan, en brengen ze desondanks een topshow: net dat tikje minder hermetisch, verpletterend en polyritmisch (al mept Josh Freese er allesbehalve naast) dan Keenans day job Tool, maar toch goed genoeg voor een van de allerbeste shows op Rock Werchter ’26.
Zonder nieuw album te promoten, kan de band vrij plukken uit zijn oeuvre. Afkick-epos Thirteenth Step krijgt terecht het leeuwendeel toegemeten. Ze openen met “The Package” dat de dreiging tergend traag opbouwt, “Weak And Powerless”, “Gravity” en “Blue” zorgen voor groove. “The Outsider” brengt de woede die met “Counting Bodies Like Sheep to the Rhythm of the War Drums” onversneden het publiek wordt in geflikkerd. Werd ooit geschreven als reactie tegen G.W. Bush zijn tweede Golfoorlog (zoek het clipje maar even op), ondertussen weten we dat die klein bier was vergeleken bij wat nu gebeurt.
Ook uit meest recente worp Eat the Elephant pikt de band de songs die het meest punk de staat van de wereld aanklaagden. Of wat dacht u van “Doomed are the poor / … / for the word is now death / and the word is without light / the new beatitude: / ‘fuck the doomed, you’re on your own’’’ uit een knallend “The Doomed”. Of “Sit and talk like Jesus / try walking like Jesus / … / Try walking your talk or get the fuck out of my way” uit “Talk Talk”. En ook hier: geschreven in minder extreme tijden, toen Donald Trump tijdens zijn eerste ambtstermijn gewoon een beetje een gekkie leek. Om maar te zeggen dat de politieke boodschap van A Perfect Circle niet opzichtig hing te blinken op het scherm of te wapperen over een Marshall-versterker, maar dat Keenan en band al langer kwaad zijn over de staat van de wereld en de powers that be, is wel duidelijk. “GO BACK TO SLEEP” nog aan toe.
Verder: nieuwtje “Starless” (moeten we nog even aan wennen), “Rose” en het onverwoestbare “Judith”. “It’s not like you killed someone / … / I did it all for you-ou” zingt Keenan over zijn na 27 (!) jaar coma overleden en diep religieuze moeder ons de eerste krop in de keel van de avond. Bovendien bewees A Perfect Circle dat je op je zestigste nog steeds loepzuiver zowel hoge als lage tonen in alle registers kan halen en dat de geluidsinstallatie op Rock Werchter die dynamiek perfect kan laten klinken. Professionalisme: het is een dingetje. Laat album vijf en die show in perfecte omstandigheden maar snel komen. Of een headlinerslot, dat mag ook wel eens.
Met de concertfilm Stop Making Sense vond David Byrne een eigen beeldtaal uit voor zijn optredens, en eigenlijk is hij daar sindsdien niet meer van afgeweken. Nog altijd draaien concerten van het voormalige Talking Heads-opperhoofd om uitgekiende groeps-choreografieën, strak geregisseerde scenes die als geheel moeten werken. Het voorlopige hoogtepunt daarvan was de American Utopia-tour – vereeuwigd in de gelijknamige film – maar ook zijn huidige tour rond het recente Who Is The Sky? surft verder op die vibe.
Bepaalden honderden glimmende kettingen het decor van die vorige, gelauwerde tour, dan is het nu een groot scherm langs drie wanden van het podium die de show steelt. Nu eens waren er beelden te zien van het idyllische landschap tussen Werchter en Tremelo – waar Byrne eerder die dag naar het standbeeld van Pater Damiaan was gaan kijken – dan weer zagen we zijn heimat New York, of een Amerikaanse villa in het gras tijdens “And She Was”, een eerste hoogtepuntje.
Natuurlijk zijn het immers de Talking Heads-nummers die deze set kruiden. Ze zijn overvloedig, en elke keer opnieuw voel je hoe dit concert eigenlijk één lange doorploegend funkfeest had kunnen zijn als Byrne niet alles na elke song even stillegde. Of het nu “Houses In Motion” of “(Nothing But) Flowers” was, telkens zijn het nummers die ongebreideld doorgaan op één groove. Het is verbluffend hoe goed alles klinkt, hoe strak de band speelt terwijl ze alweer in ingestudeerde processie over het podium trekken, of net meticuleus uitgepland kriskras door elkaar bewegen.
Het mooiste resultaat levert dat op in “Like Humans Do”, waarin de muzikanten vooraan en de dansende gemaskerden op het scherm één geheel worden. Als aanloop naar “Psycho Killer”, dat een dreigende cello meekrijgt, wordt Byrne dan weer achtervolgd door zijn eigen, losgekomen schaduw; een al even knap visueel trucje. Een erg stevig “Life During Wartime” brengt de boel vervolgens naar een kookpunt. Byrne, niet gespeend van enige engagement, laat het nummer begeleiden door beelden van de protesten tegen de ICE-migratiepolitie in de Verenigde Staten. Soms moet je immers duwen waar het pijn doet.
En verder mag dat het plezier niet vergallen. De eindspurt is een feest. Eerst “Once In A Lifetime”, waarbij u nog harder dan hem roept “My God, what have I done!?” alsof die midlife-crisis er wel héél hard in hakt, vervolgens “Burning Down The House” om het laatste restje zweet uit de laatste porie te persen. Je hoort Herman al denken “dat kost me weer een podium”, maar The Barn houdt het nipt – al smeult ze na afloop nog een beetje na. De rooksignalen lezen: Byrne was in the house.
Als je maar lang genoeg wacht, kom je vanzelf weer in de mode. Ik heb The Cure hier voor uitgedunde weides zien spelen (2004), bij daglicht als opmaatje naar Tool (2019), maar vandaag staat de weide vol, en is de band gekomen om te triomferen. Dit is immers 2026, en The Cure is opnieuw hip. Steek het maar op Joachim Liebens, DIIV, en zovele anderen die plots ontdekten hoe een choruspedaal werkt. Robert Smith is er de man niet naar om dan met bitterheid op mindere jaren terug te kijken, maar omarmt de ontvangst met gretigheid. Hij wandelt de breedte van het podium af, om de massa goed in zich op te nemen, terwijl zijn maten zachtjes het bedje spreiden voor “Plainsong”.
Hoe machtig zijn die verweerde koppen als het licht aangaat. Op kersvers toetsenist Eden Gallup na, zijn dit allemaal frisse zestigers en zeventigers, maar ze spelen nog steeds alsof hun leven er van af hangt. Simon Gallup – vader van die andere – staat in de opener te bassen met een ernst die toewijding verraadt. Dat Smiths kraaiennest ondertussen wel erg uitgedund raakt? Het is wat het is, maar daarom zal hij dat imago niet loslaten.
Er is een scherm waarop de band over spookachtige beelden wordt geprojecteerd, verder is er niets. Niets in de handen, niets in de zakken, niets in de vuurwerkbuis. Bij The Cure gaat het om de songs en niets anders. En daar zijn er na vijftig jaar carrière véél van.
“Pictures Of You”, bijvoorbeeld; machtig zwijmelen over zo’n typische melodieuze signatuurbaslijn van Gallup. Of “Lovesong” van op het vanavond uitbundig gefêteerde Disintegration, dat met zes nummers het meest aan zijn trekken komt. Nochtans niet jarig dat album, in tegenstelling tot Wild Mood Swings. Van die destijds matig onthaalde plaat halen Smith en co al vroeg in de set “Treasure” en “Want” boven, en ook vandaag blijkt het nog even een pas op de plaats voor dit concert echt mag openbarsten. Dat doet het met niet één maar twee blokfluiten. Smiths dubbelfluit geeft een zinderend “Burn” een griezelig kantje, het tromgeroffel van Jason Cooper versterkt de spookachtige sfeer. “Every night I burn!”, zingt Smith, en het kon werkelijk niet beter klinken: 67 of niet, aan de stem mankeert nog lang niets.
Bij The Cure zijn intro’s geen intro’s, maar werelden op zich. In de lange aanloop van “Fascination Street” merk je hoe de onverstoorbare Gallup wijdbeens de boel schraagt. Als één ding The Cure kenmerkt, naast dat gekwetste jongetjesgeluid van Smiths strot, dan wel die bas. In “Push” wordt die bevrijdende “Go Go Go” waarmee Smith zijn stilte breekt zo lang uitgesteld, dat we er al een extra song op hebben zitten. Waarna we halverwege zijn, en de zak met knallers pas echt opengaat.
Een “In Between Days” dat danst op een tierelierend synthlijntje, om te beginnen. Een “Just Like Heaven” om de euforie compleet te maken. Een – raap ons op – “Trust” dat zo verstild is, dat het op de juiste manier pijn doet. In de ruis tussen de noten hoorden we verschillende harten in duizend stukken breken. Een “Play For Today” waarvan de synth wordt meegezongen alsof we hier op een Iron Maidenconcert staan: een traditie onder vleermuizen en aanverwanten.
Tussendoor? Een obscuurder “Secrets” uit Seventeen Seconds, met “alt.end” een zeldzame vertegenwoordiger van de laatste kwart eeuw. Dat is niet erg als het gaat om The Cure (2004) en 4:13 Dream (2008), maar dat het erg sterke Songs Of A Lost World, waarmee The Cure vorig jaar een lange albumstilte doorbrak, volledig wordt genegeerd, is vreemd. Het doet vermoeden dat de groep op livevlak andere plannen heeft met die plaat. Iets voor een zaalconcert? Het zijn overwegingen die je wegwuift wanneer die gitaar luidt en we samen verdwalen in “A Forest” tot die stuiterende bas van Gallup ons de weg naar buiten wijst.
De bisronde is voor wat we gemeenzaam ‘silly Cure’ kunnen noemen; de vrolijke popliedjes die de groep ook al eens durft te maken, maar eerst is er nog “Lullaby”; vijf minuten griezelfilm op zijn Tim Burtons. Daarna? Vrolijk de horlepiep dansen op “The Walk”, “hiss me, kiss me” zingen op het jolige “Lovecats”, dronken van verliefdheid de derwisj draaien op “Friday I’m In Love”. En voor wie dacht dat het vat nu echt wel af moest zijn: daar is “Close To Me” en “Why Can’t I Be You”. Kan het dan echt niet op? Toch wel, maar niet voor “Boys Don’t Cry”, de vrolijk geworden treurnis in noten geperst, ons uitbundig uitgeleide doet. Smith wandelt een laatste keer van links naar rechts het podium af, als wil hij ons allemaal een slaapwel toewensen. Kusje, terug, Bob.
Bowie dood, Prince wijlen, Bruce die naar zijn pensioen glijdt (op de knieën uiteraard); deze band is de laatste van de groten. Rock Werchter 2026 had op geen mooiere manier kunnen eindigen.



