Vrijdag 3 juli: Madonna is een seut
Dag twee en ook vandaag staat de barometer op “zomerfestival”, maar gelukkig nog niet op “meurende weide”. Al kunnen we ook gewoon het geluk hebben dat we ver genoeg van het podium naar Viagra Boys staan te kijken.
Sebastian Murphy en de zijnen zien er naar goede gewoonte immers uit alsof ze ook maar net uit hun tent gerold zijn, geen jetons meer hadden voor de douche, maar gelukkig wel nog een lauwe pint onder hun slaapzak vonden. En dat is hun manier om met de shit in de wereld om te gaan. Een alternatief is om jezelf te verliezen in een fantasie van een groot tuinfeest in Victoriaans Engeland waar geneukt wordt alsof ‘nothing matters’. Die fantasie heet The Last Dinner Party en speelde het hoofdpodium ongetwijfeld plat, maar vandaag is Rood. Niet het rood van een uitstekende Bordeaux of baljurk, maar van de decibelmeter in The Barn wanneer Oskar Carls zijn sax martelt.
Viagra Boys dus: vuige Zweden die een flink scheut chaos, disco en freejazz door hun postpunk mixen en tussen twee strofes door dat blik bier binnen kletsen. Te midden van de waanzin en surrealistische teksten zit echter ook een stevige politieke boodschap. Zo krijgt de migratie-fobe Zweed ervan langs in “Uno II” en wordt “Troglodyte” (“He says he don`t believe in science / He thinks that all the news is fake”) opgedragen aan de idioten die nog steeds weigeren in te zien dat er een genocide plaatsvindt in Palestina. Al mag er ook gelachen worden: tijdens “Sports” legt Murphy zijn microfoon op het podium en brult hij er al pompend het refrein in. En na de 15 minuten opwindende en verbazend dansbare geluidsterreur van “Research Chemicals” gaan de Boys de coulissen in op de tonen van “Up Where We Belong”. De oren zijn uitgespoten, de zon brandt in de nek: tijd voor een pintje en een verkennende tocht van de Barn naar Klub C, want Franz Ferdinand, Kae Tempest en FKA Twigs zijn iets te vloeiend achter mekaar geprogrammeerd. Het blijkt tien minuten enkele reis te zijn en zo steekt het aloude Pukkelpopgevoel van altijd net iets te missen ook op Rock Werchter de kop op.
Franz Ferdinand vliegt er meteen in met “The Dark Of The Matinée”, en doet dat misschien iets te direct, want het klinkt nog wat vlakjes, net als die andere gouwe ouwe “Walk Away”. Na vier songs klikt alles echter wel weer tijdens een euforisch “Do You Want To” in elkaar en gaat Franz Ferdinand vol voor een overwinningsrondje van een concert. Alle hits komen voorbij, en zelfs de songs van hun laatste The Human Touch worden als goede vrienden onthaald. “Audacious” is dan ook gewoon een knaller. Het klinkt wat minder strak dan hun legendarische eerste concert alhier (22 jaar geleden, laat Kapranos ter inleiding van “40′” terloops weten. Auw). Vlak voor “Take Me Out” banen we ons een weg doorheen een klein volksfeest dat tot ver buiten The Barn reikt om tijdig in Klub C te geraken. Franz Ferdinand was niet gewoon uitstekend in The Barn, maar was allicht nog uitstekender geweest op de Main Stage.
Klub C is nagenoeg leeg als Kae Tempest en toetsenist Pops Roberts breed glimlachend het podium op wandelen. Hij dankt ons alvast voor de aanwezigheid, en hoopt dat er het komende uur iets moois zal gebeuren. En dat doet het. Tempest mengt oud en nieuw werk, rapt en declameert zijn teksten met passie, ondersteund door soms stevige, dan weer zachte en sfeervolle beats. Het publiek is aanvankelijk wat bedeesd (hoe kleiner de massa, hoe meer zelfbewustzijn), maar “Diagnoses” breekt het concert open. “We Die” is het eerste echt emotionele moment en op “Know Yourself” barst een klein feestje los. En ook hier wordt de politiek gewaardeerd. “I don’t want millionaires to colonise Mars / It’d be nice to address the mess we made here / before jetting off to ruin the stars” uit “Forever” krijgt gejuich en applaus.
“More Pressure” wordt zo enthousiast onthaald dat Tempest even pauze moet nemen om gelukzalig de tent in te kijken. En dan moeten recente stampers “I Stand On The Line” en “Statue In The Square” nog komen: de helaas maar voor een kwart gevulde tent laat zich volledig gaan. Tempest heeft nog een song voor ons en dat moet natuurlijk “People’s Faces” zijn. Filmpjes worden opgenomen, teksten worden meegepreveld en tranen worden weggeveegd. Kae Tempest liet iets heel moois gebeuren op Rock Werchter, al vond veel te weinig publiek de weg. Miscast of niet: dit hadden we even nodig. En dat Teddy Swims ons direct erna vanop het hoofdpodium ongevraagd Van Halens “Jump” in het gezicht flikkert: ook dat is Werchter.
The Barn is geen gewoon zijpodium, maar een klein sportpaleis (we bedoel een type zaal, niet een specifieke dome uit het Antwerpse), waar dan ook een arena-waardige show kan opgevoerd worden. FKA Twigs heeft haar Body High-tour meegebracht: een indrukwekkend podiumgebeuren, maar niet erg festivalvriendelijk.
FKA Twigs heet eigenlijk Tahliah Debrett Barnett. Vermoedelijk heeft ze een artiestennaam zodat omalief niet per ongeluk met de vrienden van de kaartclub eens naar een optreden van haar kleindochter komt kijken, want dat zou niet goed zijn voor de oversterfte. Twigs (Efka?) heeft namelijk een show die Madonna een beetje seutig doet lijken. Er wordt niet enkel of een béétje paalgedanst en drooggeneukt, maar zeker in de eerste helft van het concert nemen de dansers elke kans te baat om zo seksueel geladen mogelijk op een podium te wezen. De mannen zijn bovendien het schaarst gekleed met enkel minuscule tanga’s, waar ofwel een kundig verstopt huidkleurig shortje onder zit, of een en ander wel erg strak is weggetapet. Barnett zelf is lange tijd niet makkelijk te spotten, en het eerste kwartier is vooral een dansspektakel waar alles voor af en aan gesleurd wordt op pompende house beats. Tot het plots stil is en er enkel een schaduwtableau van FKA Twigs, haar danser en een wel erg toevallig geplaatste microfoon overblijft.
Het is de voorbode van wat rust: een bijna a capella “Eusexua”. Iets later biedt ook een op gitaar begeleid “Stereo Boy” wat ademruimte. De hoofdmoot is echter dreunende house (“Love Crimes”!) en drum-‘n-bass (“Two Weeks”!!!), met driftig aan kettingen rondcirkelende dansers, Twigs die op de rug van en nagenoeg naakte glimmende danser over het podium rijdt. Ze rijgt in meerdere acts meer dan twintig songs uit LP1, Magdalena, Eusexua, Caprisongs en een handvol EP’s aan mekaar: de ene al wat langer en herkenbaarder dan de andere. Het is overweldigend en een klein beetje vermoeiend, gezien de hoeveelheid mensen die na een tijd besluiten toch maar even wat anders te gaan doen. Zij missen het rondje hits aan het einde en een adembenemend mooi “Cellophane”. Al werd dat laatste een beetje ontsierd door een iets te geacteerd uitziende huilbui. Ze moet nu toch ongeveer over Patterson heen zijn?
FKA Twigs stond dus misschien ook wat miscast op een festival, al deed ze ook gewoon eigenzinnig en avantgardistisch haar verdomde zin. Ergens tussen Björk, Madonna en Rosalía in, dus daar geen weldenkend mens echt op tegen zijn.
Als Franz Ferdinand een nostalgieact voor veertigers was, dan is The xx de act waarop een stoet dertigers hun jeugd kan herbeleven. Hun onvolprezen debuut is intussen toch ook weer zeventien jaar oud. In die periode was het de soundtrack voor veel gepuber en liefdesverdriet, maar het valt evenmin uit te sluiten dat er iemand op de wei rondloopt die op de tonen van pakweg “Infinity” verwekt is. Vanavond wordt er niet smachtend naar een MSN Messenger-scherm gestaard, maar naar een gitzwart podium waar Oliver Sim, Romy Madley Croft en Jamie XX Smith in een waas zullen verschijnen. Die verschijning is vanuit de nok van het podium gefilmd. In bovenaanzicht zien we het X-vormige podium en de drie jeugdvrienden die dicht bij elkaar “Crystalised” inzetten. Kippenvel? Kippenvel.
De band bouwt de set met Spartaanse discipline op: het eerste kwart minimalistisch en bijna statisch met enkel wit licht en naar ons gevoel ook direct de grootste kleppers. “Islands”, “Angels”, “Night Time” en “Sunset” worden direct gelost: parels van songs waarin de gitaar en bas lang mogen galmen, maar de stiltes tussen de woorden en aanslagen minstens zo belangrijk zijn. En dat werkt helaas niet zo goed aan het einde van een festivaldag voor tienduizenden die lang niet allemaal dezelfde emotionele band met The xx hebben. Er wordt veel meegezongen, maar het geouwehoer rondom klinkt bij wijlen helaas net iets luidkeelser. Het zal een John Cage-knipoog zijn.
Vanaf “Fiction” komt er meer kleur en beweging in de set. Sim gaat zelfs even op de rand van het podium zitten, en Jamie XX smokkelt steeds meer en dansbaardere beats in de songs. We horen een flard “I’ll Take Care Of You”, “Shelter” krijgt een remix en XX’s solotrack “Loud Places” trekt na een start als valse trage een vaatje euforie open. Romy duikt er met haar “Enjoy Your Life” ook in en de weide ontploft. Nog wat solo beats van XX om Sim de kans te geven in het publiek op te duiken voor zijn “GMT”. Ook “On Hold” en “I Dare You” tonen het clubbende gelaat van The xx.
Afsluiten doen ze met “Intro” dat – excuses, ze hebben het zelf gezocht – voor de gelegenheid een energieke outro meekrijgt. Is het een song, is het een intro, is het een vignetje, is het allemaal te slim voor dit uur van de nacht? Maakt allemaal niet uit: deze baslijn wordt op het meeste gejuich en extase onthaald. En dan is het voorbij en schijnt enkel nog een immense X van het podium de weide in. The xx was perfect in niet perfecte omstandigheden, onzekere puber en ster van de dansvloer, nostalgie en nu, een feest en een traan, klinisch en emotioneel: een schitterende paradox en een band en een concert om te savoureren als een bitterzoete praline.
“Maar … Pommelien Thijs?”, vraagt u. Niet gezien. Ook geen “Atlas”-snippets gehoord.



