Sinds de corona-epidemie komen er – misschien niet verrassend – best wel wat films in de zalen die de focus leggen op het werk van zorgpersoneel. Recentelijk waren er al Heldin en L’Intérêt D’Adam, en ook Second Victims hoort in dat rijtje thuis.
De Deense cineaste(/actrice) Zinnini Elkington – wiens hele familie in de gezondheidszorg werkzaam is – stootte op het concept van zogenaamde “second victims” via een podcast. Het is een fenomeen waarbij zorgverleners na een traumatische ervaring (al dan niet door een inschattingsfout) eveneens een soort slachtoffer kunnen worden van het gebeurde.
Hier is dat in casu een arts die een routineonderzoek doet bij een achttienjarige jongen met hoofdpijn, geen reden ziet tot paniek, de patiënt naar huis stuurt en kort nadien geconfronteerd wordt met een totaal onverwachte hersenbloeding met fatale gevolgen. Schuldgevoel, twijfel, woede en conflict komen vervolgens centraal te staan in de uren die volgen, een verkenning van de consequenties van dit alles voor ouders, artsen en verplegend personeel. Op zich is dat best een interessant gegeven en in het eerste kwartier weet de film ook aan de hand van ritme en observatie, het kerngegeven knap op te bouwen.
Het probleem is dat eenmaal het gebeurde achter de rug is, alles als een kaartenhuisje begint in elkaar te stuiken. Niet alleen wordt de hele achtergrond van de ziekenhuisroutine opzij geschoven om helemaal de focus te leggen op de problemen van het hoofdpersonage – dat is een keuze, maar toch wel wat jammer – maar veel erger is dat na de foute inschatting (die zoals blijkt, helemaal terecht gebeurde) de vrouwelijke arts in kwestie toch wel een heel aantal op zijn zachtst gezegd niet erg professionele of toch minstens twijfelachtige handelingen stelt, inclusief het proberen toedekken van haar aandeel en het achterhouden van informatie voor de rouwende ouders. Het wordt daarmee voor de kijker wel erg moeilijk om veel empathie op te brengen en aan de zijde te blijven staan van de arts, zeker wanneer aan het eind alles ook nog eens nodeloos lang uitgemolken wordt om maximale emotionele betrokkenheid te proberen bekomen (de beelden van wolken en vogels zijn van een bijzondere banaliteit, om nog maar te zwijgen over de eerder ridicule finale).
Omdat alles ook nog eens verpakt zit in de esthetiek van een televisiereeks, hebben we toch een beetje het gevoel dat we zitten te kijken naar een script voor een drie kwartier durende aflevering van een ziekenhuissoap die voor de gelegenheid werd uitgebreid tot speelfilmlengte, niet meteen met bijster memorabel resultaat.



