Drie jaar nadat hij met Avatar: The Way of Water nog maar eens de boutade “never bet against James Cameron” kracht bijzette door pas na bijna anderhalf decennium een sequel uit te brengen waarover Hollywood toch twijfels had wat winstpotentieel betrof gezien het enorme prijskaartje, zaten we de afgelopen weken duidelijk alweer met analisten die aan geheugenverlies lijden (of hun vak gewoon niet beheersen). Dit derde deel – Fire and Ash – zou volgens de eerste tracking “slechts” 110 miljoen dollar gaan opbrengen in het openingsweekend in de VS. Dat zal wellicht ongeveer kloppen, maar iedereen die een beetje naar de geschiedenis kijkt van Camerons films, weet dat die niet openen met records, om vervolgens wekenlang ongeveer dezelfde cijfers te blijven neerzetten, dat terwijl de meeste films al na een week een terugval zien van veertig tot zestig percent. De reden daarvoor is dat dit spektakels zijn waarop mensen gerust een weekje willen wachten om toch maar het beste zitje in een IMAX-zaal of andere te pakken te krijgen. Zelfs Titanic opende met wat toen ‘zwaar teleurstellende cijfers’ genoemd werd, om vervolgens maandenlang te blijven volle zalen trekken. Om maar te zeggen, Fire and Ash aan de kassa afschrijven is gewoonweg dwaas. Een veel meer pertinente vraag is ‘slaagt James Cameron erin om uit te pakken met iets dat nog nieuw, creatief en fris is deze derde keer?’
The Way of Water had eerst anderhalf uur nodig voordat de film echt uit de startblokken schoot, Fire and Ash heeft een pak minder tijd nodig en hoewel het allemaal natuurlijk niet meer zo baanbrekend is, kan je er niet om heen dat Cameron toch nog altijd verdomd goed weet hoe hij spektakel in de overtreffende trap moet brengen.
Na de overwinning van de Na’vi aan het eind van de voorganger, is de strijd met de menselijke kolonisten uiteraard niet beslecht en de protagonisten komen ook nog in botsing met een naburige clan die vuur aanbidt en geleid wordt door de bloeddorstige Varang, meteen de grootste troef van de film: een op de fysiek – en natuurlijk stem – van Oona Chaplin gebaseerd atletisch creatuur dat met veel verve een beetje donkerte brengt in de door hippie-cultuur en new-age ecologie gedomineerde Avatar-wereld. Die strijd leidt al snel tot nieuwe confrontaties met de militaire kracht van de bezetters, waardoor alles andermaal opbouwt naar een grote slag waarin Na’vi vanuit de lucht en zee het gevecht aangaan terwijl ook de zwemmende walvisachtige wezens de Tulkun opnieuw hun opwachting maken. James Cameron knipoogt ook alweer ruim naar eigen werk – let op een les in het gebruik van een AR-geweer – met ditmaal vooral verwijzingen naar Aliens en The Abyss die kwistig rondgestrooid worden voor de fans. Die repetitiviteit is een beetje de achilleshiel van Fire and Ash en hoe je het draait of keert hebben we wel wat te maken met wat de Engelse taal ‘diminishing returns’ noemt. Die vaststelling is anderzijds echt niet aan de orde voor het visuele luik dat erin slaagt een paar van de meest indrukwekkende taferelen uit de trilogie (zelfs als er een vierde film komt is dit duidelijk een afgerond verhaal) op het scherm te toveren. Vooral het kleurenpalet van deze nieuweling is sterk en wie bereid is naar de volledig in digitale 3D geconcipieerde wereld te kijken als een bijzondere vorm van animatie, ontdekt echt wel bij momenten grandioze vista’s. Cameron is er in geslaagd een volledig uniek eigen universum te creëren en het bekijken van deze afsluiter roept de bespiegelingen van film- en mediatheoreticus Lev Manovich voor de geest die stelde dat na de digitale revolutie (waarvan Cameron een van de pioniers was met de effecten uit Terminator 2: Judgment Day), cinema – de kunstvorm die in de negentiende eeuw samen met voorloper fotografie de visuele representatie van de werkelijkheid overnam van de schilderkunst – eigenlijk film teruggekeerd was naar het palet van de schilder: met (digitale) borstelstreken kan de filmmaker eender wat op het doek toveren zonder dat er nog een indexicale relatie hoeft te zijn met het profilmische (lees, er hoeft in realiteit niks vóór de camera te hebben gestaan, of als uw wil: alle film wordt eigenlijk een vorm van digitale animatiefilm). Iemand als bijvoorbeeld Terrence Malick koppelt die mogelijkheden aan filosofische bespiegelingen om een cinema van beelden in indrukken te bouwen, James Cameron slaagt er best in om dat concept te vertalen in een nieuwe ‘cinema of attractions’, de term die filmhistoricus Tom Gunning gebruikte om de sensaties van de hele vroege (vooral Franse) tableaucinema te beschrijven die dreef op korte filmpjes van een paar minuten waarvan visuele trucs of sensoriële beleving van beweging en adrenaline, de kern vormden. Het is dan ook doorheen die lens dat het best is om de Avatar-cyclus te gaan schouwen. Verhaal, actie, thema enz… zijn allemaal onderschikt aan het verkennen van een nog jonge nieuwe filmtaal en vanuit dat perspectief kan en mag je ook Fire and Ash een welbepaalde artistiek-esthetische insteek niet ontzeggen. Bekijk bijvoorbeeld vroeg in de prent de taferelen met de zwevende handelskaravaan die doen denken aan Terry Gilliam of de bewust primitieve picturale effecten van Karel Zeman.![]()
Het mag daarbij duidelijk zijn dat het absoluut noodzakelijk is om de 3D versie te bekijken, aangezien het precies de combinatie is met dat proces die voor een unieke grammatica zorgt. Cameron voegt hier immers niet zomaar wat effectjes toe, maar ziet de derde dimensie als een wezenlijk deel van de beeldende digitale poëzie die hij hier nastreeft en deels ook weet te brengen.



