Het moest en zou er ooit eens van komen dat de filmindustrie de blik zou werpen op de lange carrière van Bruce Springsteen. Springsteen: Deliver Me from Nowhere legt de focus op één welbepaalde periode – de opnames van het album Nebraska aan het begin van de jaren negentientachtig – en Jeremy Allen White (bekend van de reeks The Bear) mag in de huid kruipen van ‘The Boss,’ hij wordt bijgestaan door (een alweer ijzersterke) Jeremy Strong en Paul Walter Hauser. Scott Cooper – Out of the Furnace, Black Mass – stond achter de camera en deed voor de digitale cinematografie andermaal een beroep op fotografieleider Masanobu Takayanagi.
Misschien vooraf even duidelijk stellen: ik heb Springsteen – al dan niet met band – talloze keren zien optreden en heb dus geen last om de term “grote fan” te gebruiken. Dat om aan te geven dat ik in principe positief vooringenomen zou moeten zijn tegenover deze Deliver Me from Nowhere. Punt is evenwel dat ik ook een filmrecensent en –wetenschapper ben en dus ook met een andere blik naar deze biopic kijk. Het is op dat vlak dat er een heel aantal zaken niet helemaal goed zitten met dit rockportret. Nochtans bevat de film wel degelijk elementen die tenminste een poging doen om echte interesse te tonen in het werk waar het allemaal om draait: de invloed van Terrence Malicks Badlands bijvoorbeeld, of worstelingen in de opnamestudio om toch maar het juiste geluid en de integriteit van de muziek te vrijwaren. Het probleem is dat elk waarachtig zoeken naar een manier om het creatieve proces naar het scherm te vertalen, uit evenwicht gehaald wordt door de meest banale dooddoeners: zwart-witflashbacks uit Springsteens kindertijd of stemmige plaatjes gedrapeerd over nummers (I’m on Fire is geweldig – Pinkpop indachtig – bij zonsondergang, maar het is ook allemaal wel een beetje te makkelijk). En weer is daar Jeremy Allen White die met dezelfde gekwelde blik voor zich uitstaart … u weet wel, het cliché van de gefolterde ziel die door de hel moet gaan om groots werk af te leveren, een concept dat hier wel uitzonderlijk dik aangezet wordt.
Is de afwisseling tussen meer en minder geïnspireerde observaties van het creatieproces nog enigszins te verdragen en levert het hier en daar een doorleefd filmisch moment op, dan is dat zeker niet het geval voor de rest van de geijkte sjablonen: fletse romantiek en te nadrukkelijk opgelepeld drama en trauma, met als dieptepunt een inzinking op een County Fair in Californië. Een dergelijke prent maakt altijd keuzes (bijvoorbeeld ook om de band van Springsteen nauwelijks aan bod te laten komen) maar dat zijn daarom niet altijd de juiste. Minder traditioneel drama en iets meer uitbouwen van de scènes die wél zoeken naar het werk en niet louter naar de artiest, hadden een meer evenwichtige en boeiende langspeler opgeleverd.



