De naam Eli Craig zal wellicht niet meteen een belletje doen rinkelen, al hoeft dat niet te verbazen: de 53-jarige Amerikaan en zoon van actrice Sally Field is sinds zijn filmdebuut in 2010, en na een mislukte poging om Ruben Fleishers’ Zombieland als TV-serie te lanceren, nu pas toe aan zijn derde langspeelfilm met een titel die de plot bijna even goed samenvat als Snakes On A Plane.
In Craigs eerste wapenfeit, Tucker & Dale vs Evil, legden naïeve jongeren één voor één op gruwelijke wijze het loodje door het toedoen van Tucker en Dale, twee boerenkinkels die zich eigenlijk van geen kwaad bewust waren en zo zorgden voor een inventieve verdraaiing van de genreconventies. Aangedikt met een flinke portie gitzwarte humor en de nodige emmers bloed, geraakte de film maar net uit de kosten maar verwierf kort daarna wel een gerechtvaardigde cultstatus.
Anno 2025, en met amper één vijfde van Tucker & Dales’ productiebudget, keert de regisseur terug naar het genre met een onnozele titel die een inspiratieloze B-film doet vermoeden, en waarbij er simpelweg wordt gesteund op het feit dat clowns – kijk maar naar de It– en Terrifier-franchises – altijd wel eng zijn en dik scoren aan de kassa. Tijdens het eerste kwart van de film kan je je als kijker dan ook moeilijk van de mening ontdoen dat Craig gemakshalve uitgaat van die premisse.
Tienermeisje Quinn verhuist met haar vader naar het klein stadje Kettle Springs, waar de conservatieve volwassenen nog steeds neerkijken op de jeugd omdat jaren eerder enkele lokale jongeren de Baypen Corn Syrup Factory in de as hebben gelegd, een fabriek die cultureel en economisch het hart van de gemeenschap vormde. De mascotte van het bedrijf, Frendo (de clown uit de titel dus), is nog steeds uit op wraak en natuurlijk moet de nieuwe lichting jeugd het daarbij ontgelden.
Van een grensverleggende plot moet Clown in a Cornfield het dus niet meteen hebben, maar Craig kent de mechanismen en archetypes van het genre goed en heeft duidelijk plezier om daar weer speels mee om te gaan, althans op een manier die een pak minder irritant is dan bij de recente Scream-sequels. Zo krijgen we ook twee leuke vondsten voorgeschoteld die je niet meteen zou verwachten bij dit soort film, meteen ook de grote verdienste van het bronmateriaal: het gelijknamige boek van Adam Cesare waarin de personages behoorlijk veel ontwikkeling meekrijgen. Horrorfanaten die veel gewend zijn zullen wellicht hun neus ophalen, maar wanneer het bloed vloeit is het tenminste wel met nostalgische flair in beeld gebracht (hoera voor practical effects!) en dit verstand-op-nul-vertier is bij momenten dan ook best een genietbare ode aan de 80’s slasher.



