Black Country, New Road

Botanique, Brussel

Soms is de muziek beter dan de artiest. Dat was weleens het geval bij de passage van Black Country, New Road gisteren in de Botanique. Tussen het eclectische openingsnummer en de grunts op de afsluiter staken beproevingen voor band en publiek. Maar ook schitterende hoogtepunten.

De eerste impressie was twijfelachtig. “I’m trying to find something I can hold onto”, zong Isaac Wood ergens midden in de set. Hij was niet de enige die ter plaatse houvast zocht. Dit optreden liet ons bij momenten verweesd achter.

Tot op zekere hoogte lag ontregeling binnen de lijn der verwachtingen. Schilders schilderen, loodgieters gieten lood, en de zeven jongmensen van Black Country, New Road uit Londen maken moeilijke muziek. Wood kan een ronduit irritante snik in zijn stem leggen, de teksten zitten tjokvol referenties (van The Fonz uit de Amerikaanse sitcom Happy Days tot het verhaal van Abraham en Isaac in Genesis 22:1-13), het saxofoonspel van Lewis Evans is soms een en al ellebogen. In een interview zei Wood onlangs: “Als een van onze nummers op de radio komt, zien we in de reacties nadien dat het 50 procent van de luisteraars koud laat, en dat 30 procent er zich keihard aan stoort.”

Gisteren speelde de band voor die resterende 20 procent, dat kleine segment dat beseft dat moeilijk kan leiden tot mooi, soms zelfs tot heel mooi. Dat besef drong ook regelmatig door. Opener “Instrumental”, waar Evans en violist Georgia Ellery een Jiddische klezmer-sound op drukken, was een opwarmer. Maar in “Athens, France” voerden Evans, drummer Charlie Wayne en gitarist Luke Mark al een redelijk magistrale instrumentale dialoog. En drie nummers ver in de set was er “Concorde”, een van de vijf (!) onuitgegeven songs die vanavond werden geconcerteerd, een scheve en daarom perfecte ballade.

Lewis Evans

In de meeste van die liedjes zong Black Country, New Road over jong en onzeker zijn. De eigen tekortkomingen werden geprojecteerd op een ander in “Athens, France”. Een zin als “Today I hide away, but tomorrow, I take the reins”, trillend gezongen tijdens “Science Fair”, plaatste eigenwaarde en geluk op een to-dolijstje dat ruikt naar zelfbedrog.

Een dun laagje ironie moest verzachten — zie de titel van het nummer “Bread Song”, en de nogal affectieve frasering van Wood. Maar dan nog wist Black Country, New Road op het podium niet altijd wat het met zijn zielengewicht moest aanvangen. Wood had zich uiterst links gepositioneerd en zong met gesloten ogen, terwijl Evans — vooraan en in het midden — wanneer hij niet speelde een punt in de verte zocht. Rechts vocht Mark tegen de neiging om zijn gitaar te knuffelen. De lol mocht zich niet te veel laten merken. Als die gereserveerdheid een bewuste keuze was, dan was het misschien niet de juiste.

Wat niet wegnam dat er muziek was. En dat die vaak gloednieuw en nog vaker subliem was. De pas geloste single “Chaos Space Marine” was een en al strijkers en blazers en toetsen en “yeah”-s, een adembenemende hartenkreet, een opera afkomstig van een fluogele exoplaneet, een hoogtepunt. Het dof fonkelende “Good Will Hunting”, de pubgospel “Track X”, die hier iets steviger was dan op de plaat, het wiegeliedje-voor-twintigers “The Place Where He Inserted The Knife”: allemaal waren ze meer dan redelijk goed.

Isaac Wood

Culthit “Sunglasses” niet spelen diende als een crimineel feit te worden berecht, ware het niet dat “Bread Song” zo straf was. Afsluiter “Basketball Shoes”, een ruim tien minuten uitwaaierende suite met als vertrekpunt een natte droom over een onbereikbaar icoon, kon bijna voor een apart concert doorgaan. Evans’ smartelijke saxofoonspel ruimde geleidelijk plaats voor een kort aangeslagen drum en een Eddie Vedderachtige solo op de elektrisch-akoestische gitaar. En dan een vlijmscherpe uithaal van de sax, en een gruntende Isaac Wood boven de achtergrondzang van Tyler Hyde en Luke Mark. Zo moeilijk, zo mooi.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + 11 =