Can :: Live in Stuttgart 1975

De Duitse Krautrockformatie Can werd in het magische jaar 1968 opgericht, te midden van de jongerenprotesten en revolutie die zowat de hele Westerse wereld in hun greep hielden. De band zou in de daaropvolgende jaren maar liefst vijf (semi-)klassieke albums op rij uitbrengen, waarna met het vertrek van zanger Damo Suzuki in 1973 nog enkele matige tot zwakke platen volgden. Live bleef de groep echter hoge toppen scheren, zoals ook mag blijken uit deze concertregistratie uit 1975.

Het vertrek van Suzuki leek nochtans het einde van Cans artistieke succes. Soon Over Babaluma (1974) kan nog op enig krediet rekenen, maar de band leek duidelijk zijn artistiek momentum verloren te hebben. Hoewel de latere albums op zichzelf zeker nog op enige merites kunnen rekenen, missen ze de scherpte van de eerste platen en lijkt Can vaak op automatische piloot te spelen. Dat laatste is opvallend, aangezien de werkwijze van Can er net een was van lange uitgesponnen jams waaruit dan songs gedistilleerd werden. Die aanpak trok ze overigens door naar haar live-optredens, waar ze de omgekeerde beweging maakte en de songs als basis dienden voor vaak lange live-uitspattingen.

In 1972 leidde het succes van de single “Spoon” tot een gratis optreden waarbij Can zelfs een heus circus mee het podium opnam. De show werd gefilmd en officieel uitgebracht op de dvd Can (2004). Lange tijd was het de enige volledige (en officiële) live-registratie van de band, want zowel The Peel Sessions (1995) als Can Live Music (Live 1971-1977) (1999) zijn compilaties van live-opnames. De laatste jaren duiken op blogs en Youtube echter steeds meer door fans gemaakte concertregistraties op. Een van die fans is Brit Andrew Hall die sinds 1973 niet minder dan 44 optredens bijwoonde en opnam met een binnengesmokkelde Sony-cassetterecorder. Naast zijn eigen opnames verzamelde hij overigens ook nog honderden andere. Een ervan vormt de basis voor Live in Stuttgart 1975 waarbij de tapes professioneel onder handen werden genomen en het geluid aangescherpt om zo het livegevoel ten volle tot zijn recht te laten komen.

Hoewel Michael Karoli en Irmin Schmidt op de latere studio-albums wel eens de vocalen op zich namen en live zelfs een enkele keer met een gastzanger gewerkt werd, was Can na het vertrek van Suzuki vooral een instrumentale band, wat ze opvallend genoeg de scherpte liet houden die op de albums wegdeemsterde. Doordat bestaande songs slechts een mogelijke aanzet vormden voor de optredens, zijn de `songs` op Live in Stuttgart 1975 dan ook gewoon genummerd, zelfs al valt er nu en dan een herkenbaar patroon of riff te horen. Zo keren zowel elementen van “Bel-Air” (Future Days, 1973) als “Oh Yeah” (Tago Mago, 1971) terug in “Zwei” terwijl “Pinch” (Eye Banyashi, 1972) de aftrap mag geven voor “Drei” alvorens het nummer een slordige vijfendertig minuten alle kanten uitwaaiert. Opvallend genoeg baseert geen van de vijf `songs` zich tijdens deze op een nummer uit het datzelfde jaar verschenen Landed, al stond Can er ook weer om bekend nooit tweemaal dezelfde set te spelen.

Verdeeld over twee albums trapt “Eins” de set (en eerste album) rustig af met enkele klassieke Can-kenmerken. Zo legt de tandem Holger Czukay-Jaki Liebezeit het ritmefundament waarboven Michael Karoli enkele scherpe gitaarlijnen laat horen terwijl Irmin Schmidt vakkundig het geheel wanneer nodig opvult met keyboardklanken. Een tiental minuten ver in de eerste jam treedt in het bijzonder Liebezeit meer naar voor waardoor een intrigerend duel/dialoog tussen hem en Karoli ontstaat waarbij Czukay en Schmidt voor iedereen de spelregels vastleggen en in het oog houden. In de laatste minuten wordt het podium volledig opengetrokken voor Schmidt maar valt ook op hoezeer de andere drie vanuit de achtergrond details en verfijningen aanbrengen die het samenspel alleen maar ten goede komen en de luisteraar én de band klaarstomen voor de rest van een optreden waar elk houvast overboord gegooid wordt.

Maar eerst is er nog “Zwei”. De `song` dompelt het “Future Days”-thema in een funky-sausje (met dank aan Czukay en Karoli), alvorens die laatste samen met Schmidt even mag freewheelen en daarna de ritmesectie opnieuw inpikt. Het is een uitermate frivole aanpak die het meesterschap van de band nogmaals onderstreept en volop de ruimte laat aan Karoli om de blues richting een kosmos te sturen alwaar Schmidt hem opwacht. Halverwege mogen de trossen volledig worden losgegooid en tekent Czukay enkele ritmes uit waarboven Liebezeit volledig losgaat. Het funk-element wordt geenszins losgelaten, maar tezelfdertijd ontstaat er een nieuwe chaos die de onmetelijkheid van de ruimte lijkt te onderstrepen en de song finaal laat ontsporen in een krankzinnige jam.

Stevige ritmes vormen de start voor “Drei”, dat Liebezeit naar voor laat treden terwijl Czukay nogmaals de ruggengraat aanlevert. Schmidt en Karoli houden zich aanvankelijk nog op de achtergrond maar dat alle bandleden zich hier zullen laten gelden, is nu al tastbaar. Zesendertig minuten lang zal het viertal hier de mogelijkheden van elkaar én muziek tout court verkennen in wat niet anders dan als een sonisch bacchanaal omschreven kan worden. Elk lid lijkt wel de dans te leiden, wat des te uitzonderlijker maakt om te merken hoezeer ze op elkaar afgestemd zijn en het nummer geen dood moment kent. Op haar albums mocht Can in 1975 dan wel de boot steeds meer missen, “Drei” alleen al toont aan hoe scherp en fris de band nog steeds was.

Na zoveel waanzin lijkt een stap terug het meest logische, maar het hek is duidelijk van de dam. Zo blijkt uit het rockende “Vier” waarin Karoli eindeloos soleert terwijl de andere bandleden erin slagen in een dienende rol te blijven en toch hun virtuositeit tentoon spreiden. In zekere zin is dit hoe progrock hoort te klinken: vier muzikanten die spelen op de toppen van hun tenen zonder dat het ooit pedant of gezocht overkomt. Niemand kan stil blijven staan bij de manier waarop het duo Czukay-Liebezeit dansritmes oplegt terwijl Schmidt het klankentapijt weeft waarbinnen Karoli zijn details mag aanbrengen. Nu het publiek naar een nieuwe hoogte gevoerd is, mag het hier minutenlang rondzweven terwijl de band een nieuwe deur van perceptie openbreekt, eentje die leidt naar het afsluitende “Fünf”.

Het is een laatste pletwals die bestuurd wordt door Liebezeit en Schmidt, die hier ten lange leste echt op de voorgrond treedt, samen met Czukay overigens. Een optreden lang leken ze wel de lijm te zijn die alles aan elkaar hield maar hier zijn zij het die op het voorplan treden en volop de kaart van de oude `kosmische` Can kiezen. Net als bij “Vier” opteert de Can voor een gebalde tien minuten waarin ze bovendien voor een uitgepuurde aanpak kiest die opnieuw een heel andere kant van de band laat horen, zonder dat ook maar een van de groepsleden een toegeving dient te doen. Na de alle richtingen uit meanderende eerdere jams is dit de finale uppercut die bewijst hoezeer Can heer en meester van het podium was.

Live in Stuttgart 1975 is niet de ideale introductie tot Can (verre van zelfs), maar voor wie met de band vertrouwd is, geldt deze live-opname als een must. De opgepoetste tapes doen de band het recht aan dat alle online beschikbare ruisrijke amateuropnames niet kunnen bereiken. In wat hopelijk de eerste van verschillende officiële live-albums zal worden, valt een band te horen die ondanks het vertrek van haar zanger en zwakke studio-albums nog steeds met eenzelfde honger en scherpte haar unieke muzikale universum verkent. Cans livereputatie was al beroemd, maar met Live in Stuttgart 1975 heeft ze het eerste album dat voor iedereen helder laat horen waarom dat geen overdrijving was.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − 9 =