Simon Spruyt :: De tamboer van Borodino

Borodino is, zoals menig geschiedenisfanaat weet, het Russische dorp dat een keerpunt betekende in Napoleons veroveringstocht van Rusland. De Franse generaal wist in de buurt van het dorp de Russen te verslaan waarna hij verder optrok naar Moskou. Deels door overmoed en deels door toeval zou voor deze overwinning echter een hoge prijs betaald worden die al snel leidde tot een terugtocht waarbij nauwelijks 1% van het Franse leger Frankrijk levend zou bereiken. Het zou naast Waterloo Napoleons grootste nederlaag vormen. Dat de veldtocht naar Rusland stof vormt voor verhalen en analyses spreekt dan ook voor zich, met als bekendste werk ongetwijfeld Leo Tolstojs Oorlog en vrede.

In die lijvige roman duikt in enkele pagina’s ook de Franse tamboer Vincent Bosse op, waarbij zijn dienende rol vooral het personage Petja Rostov mee in de kijker helpt zetten. Meer dan die pagina’s had Simon Spruyt niet nodig om zijn verbeelding aan het werk te zetten. De auteur die in het verleden onder meer met Junker: Een Pruisische blues (2014) en Bouvaert: Elegie voor een ezel (2019) al met geschiedenis aan de haal ging, laat zich ditmaal door Napoleon en Tolstoj inspireren voor een nieuwe reflectie over macht, de mens en hun onderlinge verhouding. Net als in die verhalen focust Spruyt zich in De tamboer van Borodino op een personage dat meegesleurd wordt in een groter verhaal van rijken en machtigen en daarbij vooral het eigen vel wenst te redden wars van grootse daden en heldenmoed.

Elk verhaal van Spruyt krijgt echter ook een andere invulling die zich niet alleen verhaaltechnisch en inhoudelijk kenbaar maakt, maar evenzeer in de tekenstijl en het gehanteerde kleurenpalet. Toonde Spruyt zich bijvoorbeeld in SGF (2010) en De Furox (2007-2008) nog schatplichtig aan de klassieke strip, dan was Junker haast volledig getint met donkerblauw dat het wrange cynisme van het verhaal nog meer in de verf zette. Het satirische sprookje Papa Zoglu schitterde dan weer in hoe het middeleeuwse miniaturen herinterpreteerde, terwijl de melancholie van Bouvaert treffend een weerslag vond in de stemmige herfstkleuren en het haast volledig ontbreken van zwarte lijnen. Dat Spruyt in zijn laatste werk met waterverf en potloodlijnen aan de slag gaat, verleent ook aan De tamboer van Borodino meteen een unieke, eigen identiteit.

Vincent Bosse, de tamboer in kwestie, is gezegend met een engelachtige uitstraling, door Spruyt benadrukt door Bosse spierwit te laten waar alle andere personages ingekleurd worden. Behoudens dan Petja Rostov, die in Tolstojs boek met eenzelfde onaardse uitstraling beschreven wordt. Bosses verschijning vormt ook de belangrijkste reden waarom hij enerzijds steevast de dans van het gevaar lijkt te ontspringen maar er anderzijds net naartoe geleid wordt. Zo start het verhaal met een eerste veldslag die ondanks de nodige verliezen gewonnen lijkt te zijn door de Fransen. In deze eerste pagina’s schetst Spruyt niet alleen meteen de wreedheid en chaos van de oorlog, maar geeft hij ook een inkijk in Bosses ziel. Wanneer de keizer (Napoleon) immers de troepen voorbij rijdt en naar hen glimlacht, gaat eenieder ervan uit dat die zich tot hem richtte, op een cynische korporaal na. Bosse weet echter beter, het was naar hem want zijn hele leven al lacht ieder hem toe vanwege zijn schoonheid.

Het is die engelachtige onschuld die hem ook naar het leger zal leiden, zo wordt duidelijk wanneer na de openingspagina’s een sprong terug in de tijd gemaakt wordt. Bosse is dan nog een misdienaar die na een kort gesprek met een legerofficier niet alleen verraadt dat de lokale priester valse dodenmissen opdraagt voor dienstweigeraars maar zelf ook tekent voor het soldatenleven. Dit eerste verraad van een beschermheer zal doorheen de strip een terugkerend motief worden. Zonder meteen van kwade wil beticht te worden, lijkt Bosse er geen moeite mee te hebben wie hem in bescherming neemt te verraden of achter te laten wanneer dat hem beter uitkomt. Maar behoudens deze eerste maal is het nog maar de vraag of het hem werkelijk kwalijk genomen kan worden, want oorlog, zo wordt al snel duidelijk, is vooral een kwestie van overleven.

Bosses fraaie snoetje levert hem een plek bij de tamboers op, muzikanten die de bevelen van de officiers door middel van hun tromgeroffel overbrengen naar het massale leger. Het verschil met de andere dienstplichtigen die de functie van fuselier, grenadier of voltigeur aangewezen krijgen, wordt meteen duidelijk door hen uitgesproken gezichten mee te geven die in niets lijken op Bosses onschuld. In het portretteren van deze en andere karakterkoppen heeft Spruyt zich meermaals laten beïnvloeden door zowel oudere schilderijen als andere kunstuitingen. Direct herkenbaar is de al vermelde korporaal die in het verhaal nog een belangrijke bijrol zal spelen en getekend is naar een van de markante koppen uit De kruisafneming, toegeschreven aan Hieronymus Bosch. Oplettende lezers zullen echter ook Marty Feldman herkennen in een van de prenten, en zo blijft Spruyt nog knipogen verwerken doorheen het verhaal die er niet onmiddellijk uit springen maar wel een gevoel van herkenning oproepen.

Dat spelen met verwijzingen is echter niet meer dan een leuke bijgedachte, behalve dan het feit dat Bosse doelbewust zo anders getekend is dan zijn lotgenoten. Het is immers dat “anders zijn” dat vaak zijn geluk en ongeluk betekent. Dat erkent hij zelf overigens ook want op pagina 18 volgt al een tweede tijdsprong, ditmaal naar het jaar 1860 waar een stokoude Bosse zijn verhaal doet tegenover een bezoeker en blijkt dat de voorgaande pagina’s deel uitmaakten van zijn verhaal. Zo is ook een snelle overgang naar de inval van Moskou mogelijk en kan ook erna snel naar volgende gebeurtenissen en belangrijke momenten overgegaan worden, waarbij de lezer de ene keer midden in de actie terecht komt en daarna weer het gebeuren samen met Bosse en diens bezoeker overschouwt terwijl voornamelijk Bosse zelf er commentaar op levert.

Het hele wel en wee van Bosse hier uit de doeken doen, zou zonde zijn want Spruyt weet net als in zijn vorige graphic novels opnieuw een verhaal op te bouwen dat tot het einde blijft boeien en daarenboven ook een tastbare kritiek en visie uitdraagt. De manier waarop hij bovendien tekst en tekeningen met elkaar verweeft tot een geheel, blijft zonder meer indrukwekkend. De schatplichtigheid aan Tolstoj is dan ook net als de verwijzingen naar kunstwerken en -stromingen veeleer een extra dimensie dan de essentie van het verhaal. Want De tamboer van Borodino is in de eerste plaats een verhaal van Spruyt zelf, een dat ontdaan is van elke illusie maar net de waanzin en chaos van oorlog centraal stelt. Hoewel Bosse in het begin zijn eigen (laffe) daden nog tracht goed te praten, wordt al snel duidelijk gemaakt dat schuld en onschuld hier nutteloze begrippen zijn. De doden kunnen geen verwijten maken, de levenden moeten zichzelf ervan ontdoen.

Binnen de Vlaamse stripwereld zijn het voorbije decennium steeds meer auteurs naar voren getreden met een eigen unieke stem. Tot de absolute top behoort Simon Spruyt. Met elk werk slaagt hij erin zichzelf opnieuw uit te vinden en daarbij ook een verhaal te brengen dat zonder belerend te zijn relevante vragen oproept. Wie De tamboer van Borodino leest, kan niet anders dan erkennen dat hier een auteur aan het werk is, met een unieke stem en visie. Weinig auteurs, of ze nu met beelden, tekst of een combinatie van beiden werken, weten het niveau van Spruyt te halen en al helemaal niet keer op keer. De tamboer van Borodino schittert naast Spruyts andere werk op een internationale hoogte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × vijf =