Jan Verheyen :: Alle remmen los

Jan Verheyen verwierf bij het grote publiek vooral bekendheid dankzij zijn media-optredens bij onder meer De Rechtvaardige Rechters, De mannen van de macht en De commissie Wynendaele. Toch is hij in de eerste plaats vooral een wandelende filmencyclopedie en -liefhebber, wat in 1990 leidde tot een eerste Nacht van de wansmaak (1990). Hiervan zouden nog zeven edities volgen, alsook een tijdlang een filmprogramma op VTM.

Tijdens de Nacht van de wansmaak praatte hij aanvankelijk onder de naam Max Rockantansky (naar Mad Max), samen met Jan Doense (Mr Horror), allerlei bizarre trailers aan elkaar, vooral van obscure low budgetfilms. Het merendeel ervan was voornamelijk in de jaren zeventig gemaakt, een periode die meer dan eens beschouwd wordt als de hoogdagen van de zogenaamde B-film. De term zelf echter ontstond in de jaren twintig om films aan te duiden die na de hoofdfilm in cinemazalen getoond werden (double features) en vaak genrefilms waren. Meer dan eens hadden deze films niet alleen een kortere speelduur (circa 70 minuten), maar kenden ze vaak ook verschillende sequels.

B-films golden voor veel regisseurs en acteurs als een opstap naar het `grotere` werk, dankzij hun low budgetaanpak die het mogelijk maakte het vak al doende te leren of verfijnen. De jaren vijftig kende enkele belangrijke (technologische) evoluties die zich ook vertaalden naar de zogenaamde B-film. Zo was het door een nieuwe wetgeving voor grote productie-/filmhuizen verboden om cinemazalen te dwingen naast A-films ook hun B-films te tonen. De nieuwe afzetmarkt hiervoor werden de opkomende televisiezenders die ook steeds meer eigen films produceerden, met eveneens een nadruk op westerns. De B-film zou dan ook een eerste wijziging ondergaan, waarbij de zaadjes voor de exploitation cinema gezaaid werden.

In de jaren vijftig heerste door de Koude Oorlog een nieuwe angst voor communistische spionnen/sympathisanten enerzijds en een allesvernietigende nucleaire aanval anderzijds. De nieuwe B-film speelde hier handig op in door onder meer in te zetten op science fiction- en horrorfilms alsook op een combinatie van beide die deze onzekerheden vorm gaven. Maar al te vaak stond daarbij een dreiging/inval van buitenaards leven centraal, dan wel insecten (en soms mensen) die door radioactieve straling gruwelijk muteerden en de samenleving bedreigden. Ook het klassieke horrorpantheon werd heruitgevonden, vaak via Europese horrorfilms, en/of vertaald naar de nieuwe jeugdcultuur waarbij drive-in cinema`s de eerste markt waren.

Toen in de jaren zestig de Motion Picture Production Code (1934), beter gekend als de befaamde Hays code, op de schop genomen werd (in 1968 werd ze vervangen door het nog steeds gehanteerde Motion Picture Association film rating system), was er opeens weer veel mogelijk op het gebied van seks, geweld, druggebruik,… Een belangrijk gevolg van deze hele mentaliteitswijziging en evolutie leidde tot de auteursfilms van New Hollywood (Easy Rider, Bonnie and Clyde, Rosemary`s Baby,…) maar ook tot het tijdperk van de exploitation. Nooit eerder of later zouden zoveel van de pot gerukte low-budgetfilms hun weg vinden naar respectabele cinemazalen en haar brede publiek.

Het is in die late jaren zeventig en vroege jaren tachtig (toen de films steeds meer naar achterafzaaltjes en middagvoorstellingen verbannen werden) dat een jonge Jan Verheyen zijn liefde voor film zag groeien en en passant ook een blijvende fascinatie zou ontwikkelen voor wat in de decennia erna bekend zou worden als B- tot Z-films, exploitation movies en meer. Alle remmen los! Een afdaling in de riolen van de pulpcimena uit de wilde jaren zeventig is dan ook niet minder dan een onverbloemde ode aan deze genrefilms die even vaak uit Europa (Italië) kwamen als uit de VS en maar al te dikwijls een goedkoop of krankzinnig doorslagje was van een of andere succesfilm, met meer bloed, bloot en goor.

Opvallend genoeg, of net niet, waren er ook in de exploitation-cinema duidelijk genres en trends te ontwaren waarbij vaker dan niet studio`s het ene doodgebloede genre inruilden voor een nieuw, tot het zozeer uitgemolken was dat er werkelijk niets meer te halen viel. In zijn boek kiest Verheyen er dan ook voor thematisch te werk te gaan en de befaamde exploitatonfilms niet op tijdperk of regisseur te behandelen. Daarnaast schuwt hij ook de korte persoonlijke ontboezemingen, (flauwe) grap of sneer naar arthouse -cinema en (film)recensenten niet. Hierdoor wordt Alle remmen los, hoewel een slordige 780 films vermeld worden, niet alleen een gedegen naslagwerk, maar ook een heel persoonlijk werk.

Een ding mag doorheen het boek duidelijk zijn: Verheyen houdt van film in al zijn vormen, met een duidelijke voorkeur voor die films die zichzelf niet te au serieux nemen en/of een zeker entertainmentgehalte hebben. Het verklaart mee hoe hij enerzijds spot met in bepaalde kringen hoog aangeschreven auteursfilms, maar anderzijds in een adem door ook net andere arthouse klassiekers alle lof toegooit die ze verdienen. Verheyen is dan ook geen proleet of filmbarbaar die louter houdt van knetterende actie of hersendodend vertier, maar veeleer iemand die een werk beoordeelt op zijn eigen merites. Hij heeft nu eenmaal een broertje dood aan wat hijzelf als te intellectuele moeilijkdoenerij beschouwt.

Het is een visie die hij ook kan en durft door te trekken naar de exploitationfilms, waardoor elk ervan ondanks gebreken een eerlijke kans krijgt. Hierdoor weet hij binnen wat de facto nog steeds pulpfilms zijn toch de schoonheid van een enkel werk aan te tonen en waar gerechtvaardigd het (beperkte) vakmanschap aan te stippen. Binnen het brede overzicht dat hij biedt, is daarbij zowat een derde van het boek gewijd aan creature features, films waarbij dieren (al dan niet gemuteerd) de voornaamste bedreiging vormen. Verheyen gunt zich vooral hier het recht om ook relevante films die later (en een enkele keer vroeger) eenzelfde uitgangspunt hadden te bespreken. De wrekende dieren vormen samen met de zombies zowat de enige creaturen die nog enigszins uit de klassieke horror en sci-fistal komen.

De exploitation-cinema is immers vooral geïnteresseerd in het tonen van bloed, bloot en geweld en daarbij vormen kannibalen, nazi`s, nonnen (!) of zelfs vrouwengevangenissen een heel unieke kijk op de geschiedenis én een bron van inspiratie. Ook de wraakfilm, vooral gesitueerd in stedelijke gebieden, en zijn tegenhanger die zich dan weer afspeelt in landelijke gebieden, komen aan bod, net als de pseuodrealistische mondo cane, ietwat onverwacht misschien de rampenfilm. Die laatste is het enige louter big budgetgenre dat een plaats krijgt in het boek, maar Verheyen toont perfect aan waarom ook dit genre zijn plaats binnen de exploitation verdient. De vele sterren op retour, het haast wellustig opofferen van personages en het gebruik van een vaste formule tonen aan dat ook de grote studio`s in de jaren zeventig zich lieten meeslepen door de waan die het hele filmlandschap beheerste en net zozeer horror, seksfilms als (pseudo-) artsistieke werken vorm gaf.

Het meest opmerkelijke, en Verheyen kan het niet genoeg benadrukken, is dat al deze films hun weg vonden naar dezelfde bioscopen, waar ze naast films vertoond werden, die nu terecht als klassiekers worden beschouwd. Het waanzinnige aantal producties, het totale gebrek aan kritische visie of onderscheid en de drang om werkelijk elke grens te verleggen, tekende het filmlandschap. Alle remmen los is een soms hilarische, soms tenenkrullende en ergerlijke, maar vooral een onderbouwde en met liefde geschreven ode aan een tijdperk waarbinnen in de cinema alles mogelijk leek en elk idee verkoopbaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen − vijf =