Jeroen Olyslaegers :: Wildevrouw

Na Wil heeft Jeroen Olyslaegers de smaak van het verleden te pakken. In Wildevrouw neemt hij ons mee naar het Antwerpen van de zestiende eeuw, waar de sfeer soms verdacht hard aan vandaag doet denken. Het resultaat is een wijdlopige roman die in zijn drang te vertellen zichzelf soms voorbij loopt.

Als de zeventiende eeuw de gouden tijd van Amsterdam was, dan was de zestiende die van Antwerpen. De hele wereld meerde aan in de Scheldehaven, de rijkdom blies zichzelf aan. Alles ging goed. Of niet? Toch niet. Onder die schijnbare voorspoed ging een maatschappij schuil die ter wille van het geld wegkeek van groeiende verdeeldheid, die zijn corrupte en incompetente bestuurders hoogstens tolereerde zolang er geen problemen waren.

Het is een barre, lange hongerwinter die de stad afsluit van haar levensader, die de scheuren in het behang zichtbaar maakt. Er valt niet meer overheen te plakken, en langzamerhand gaat ongeveer alles fout: de religieuze twisten liggen plots op straat, de onvrede met de Spaanse bezetter is niet langer te ontkennen, het bestuur verliest de controle en ontpopt zich dan maar tot schrikbewind.

In Wildevrouw is het Beer, een langzamerhand ouder wordende herbergier, die op die onrustige jaren terugblikt. Hij woont ondertussen in het Amsterdam waar zoveel Sinjoren in die tijd een toevlucht vonden, en overweegt zijn rol in de gebeurtenissen van toen. Want ook hij, in zijn ogen een lijdend voorwerp in al zijn betekenissen, heeft wel degelijk gedaan wat hij heeft gedaan. En dat is niets om trots op te zijn. Ook hij heeft zich laten meeslepen door de gebeurtenissen, keuzes gemaakt die gevolgen hadden.

Voor Olyslaegers is het een kapstok om jaren onderzoek naar de zestiende eeuw in vierhonderd pagina’s uit te smeren. In een verhevigde vorm van het al flink Vlaamse idioom van Wil amuseert hij zich met scenes die gaan van burlesk naar Dantesk, van intiem naar grotesk. Wildevrouw is geschreven met een aanstekelijke gulzigheid, een hang naar de pakkende taferelen. De dialogen in de herberg zijn levendig, de beschrijvingen van al het gezwelgde nog meer. Een radbraakscène doet je net als de toeschouwers naar adem happen, de beschrijving van de Beeldenstorm maakt bevattelijk wat in geschiedenisboeken niet meer dan een droog feit is.

Olyslaegers zou Olyslaegers echter niet zijn als hij dat wonderjaer 1566 niet voor een reden had gekozen. Echo’s van hedendaagse tijden laat hij gretig resoneren en zijn er niet toevallig geplaatst. Het zijn de personages die er voor zorgen dat dat programma niet de overhand neemt. Wildevrouw wordt immers bevolkt door een cast van jewelste, waarin elk zijn eigen verhaal meetorst. Vroedvrouw Margreet, bijvoorbeeld, die Beer na de derde in het kraambed gestorven echtgenoot blijft bijstaan, en al eens de stem van de rede speelt. Er is de Spaanse Dona Maria, ongelukkig getrouwd met een Nederlandse snoeshaan, De Schrale, vriend en volksnar die in gevatte rijmpjes het gebeuren kan samenvatten. Ze worden aangevuld met een schare historische figuranten als de handelaar Hoefnagel, kaartenmaker Ortelius, schilder Pieter Bruegel of de Britse wiskundige John Dee, die samen De Familie vormen, een verlicht gezelschap dat meent de worstelingen van zijn tijd te kunnen overstijgen. Dat zou wel eens hybris kunnen zijn. En dan is er die Wildevrouw, het enige resultaat die naam waard van een Noordelijke scheepsexpeditie, die Beer tegen de zin in de schoot wordt geworpen. Slechts één keer zal ze spreken, maar het is genoeg om Beer een paar dingen heel duidelijk te maken.

De schrijver amuseert zich met zijn uitbundige beschrijvingen, zijn tranches de ‘vie d’antan’, maar verliest daarbij zijn plot meermaals uit het oog. Dat er iets vreselijks is voorgevallen, weet je al snel, het wordt nog een keer of vijftien aangekondigd. Beer blikt vanuit zijn Amsterdamse kroeg een hoop vooruit naar wat later gebeurd is, maar het voelt soms als die klassieke televisienieuws-sketch: ‘straks dit, maar nu eerst dat.’ Uiteindelijk worden de gruwelen die Jan Grauwels heeft begaan – door Beer meermaals aankondigend beschouwd – in een korte flashback op het einde afgehaspeld. De Spaanse Furie hebben we dan al op eenzelfde manier even tussen neus en lippen door verwerkt gekregen, en ook de grote kladderadatsch blijkt plotseling heel snel  afgerond, alsof het papier op is, en het verhaal binnen deze 412 pagina’s moest passen.

Zo is Wildevrouw net dat tikje minder indrukwekkend dan Wil. Dit boek mist de focus van dat magnum opus, maar dat maakt het vuurwerk er niet minder om. Olyslaegers is de grootste verteller van zijn generatie, en lijkt op dat vlak alleen nog maar te groeien. Als het klopt dat hij van plan is in het verleden te blijven hangen, dan zijn we nu al benieuwd naar welke tijd hij ons de volgende keer meeneemt.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 1 =