Ian Overton :: De prijs van het paradijs

Bij zelfmoordaanslagen zal zowat iedereen, moslims incluis, onmiddellijk denken aan islamterrorisme zoals het de laatste jaren vormgegeven werd door IS(IS) en voorheen Al-Quaeda. Daarbij worden tal van sociologische en psychologische en zelfs geo-maatschappellijke verklaringen gegeven voor waarom bepaalde personen of groeperingen tot deze handelingen over gaan. Geen van hen volstaat uiteraard, het motief van een individuele dader kan door zoveel factoren bepaald worden dat het elke mal weerstaat, maar toch is het mogelijk bepaalde patronen te ontdekken.

De Britse journalist Ian Overton, voormalig (en eerste) en hoofd van de hulporganisatie Action On Armed Violence publiceerde in 2015 een genuanceerd werk over de impact van wapens (Gun Baby Gun: A Bloody Journey into the World of the Gun) en heeft duidelijk een interesse in hoe geweld in welke vorm dan ook mee de wereld vormgeeft. In De prijs van het paradijs. De invloed van zelfmoordterrorisme op onze samenleving bestudeert hij, zoals de ondertitel al duidelijk maakt, de rol die zelfmoordaanslagen op de brede samenleving heeft. Daarbij richt hij zich interessant genoeg niet louter op de wereld van de moderne jihad en het moslimfundamentalisme maar keert hij terug naar het begin van de 20ste eeuw en hoe Russische dissidenten het tsarisme wensten omver te werpen door zich met zelfgemaakte bommen te storten op de tsaar en zijn gevolg.

Het verhaal stopt voor Overton echter niet daar. Nauwelijks veeetig jaar later zou een nieuwe groep van zelfmoordenaars zich immers aandienen, deze keer was de vijand echter niet een despotisch leider maar een andere staat en werd de aanslag een oorlogswapen. Wie over zelfmoordaanslagen spreekt, zal niet (snel) aan de Japanse kamikaze (Goddelijke wind) denken die zich met hun vliegtuigen op VS-schepen stortten. Toch hadden deze piloten ook een zelfmoordmissie voor ogen, waarbij het doel was zoveel mogelijk slachtoffers te maken en de vijand een morele klap toe te brengen. Dat kamikaze niet snel aan zelfmoordterrorisme gelinkt wordt, heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met het feit dat het maar een van de vele wapens was die in de strijd gegooid werden binnen een oorlog waar sowieso gruwelijkheden en nieuwe vormen van oorlogsvoering plaats vonden.

Hoewel de kamikaze ondanks hun opofferingen weinig bijdroegen aan het verloop van de strijd, zou het niet de laatste keer zijn dat een leger ook deze techniek zou toepassen op het slagveld. In het eerste jaar van het Irakees-Iraans conflict (1980-1988) gold het pas door een Islamitische staatsgreep geplaagde Iran militair inferieur aan de Iraakse invallers, waarbij het zware verliezen leed. Mogelijk in paniek of in het besef dat alles toch verloren was, dook tijdens een van deze (eerste) veldslagen een dertienjarige Iraanse soldaat met een granaat onder een tank waarna deze onklaar gemaakt werd en het Iraakse leger haar opmars tijdelijk gestrand zag. Op zich had de wanhoopsdaad weinig te weeg gebracht maar de impact in de geesten van de strijders alsook het schijn van de oorlog zou hierdoor sterk veranderden. De pas aan de macht gekomen ayatollah Khomeini zag immers in hoe hij de dood van de jongen kon gebruiken om meer soldaten aan te zetten tot zelfmoordaanslagen door deze theologisch te onderbouwen (binnen het sjiisme is zelfmoord in tegenstelling tot het soennisme onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar).

Het wapen van de zelfmoordaanslag zou via Iran naar Libanon reizen waar geloofsgenoten het onder meer zouden toepassen op de Israelische bezetter en net als bij Iran werd een mix van theologie en nationalisme gehanteerd om de aanslagen goed te praten. Toch gold nog steeds de duidelijke regel dat louter militaire doelen gerechtvaardigd waren en dat burgerslachtoffers waar mogelijk dienden te worden vermeden. Eenzelfde principe namen ook de Tamil-tijgers ter harte, de organisatie die in 1976 ontstond had als doel onafhankelijkheid te verwerven van Sri Lanka en zou daarvoor zowel conventionele militaire strategieën als zelfmoordenaars gebruiken, de Zwarte tijgers, waarvan verschillende overigens in Libanon de knepen van het vak leerden. Met de dood van de charismatische leider Thiruvenkadam Velupillai Prabhakaran in 2009 zou de beweging snel aan momentum verliezen en de veroverde gebieden op Sri Lanka kwijtspelen.

In de jaren negentig ontstond echter een belangrijke kentering in de manier waarop zelfmoordaanslagen gepleegd zouden worden, met Israel als eerste strijdtoneel. Gold voorheen dat de beoogde doelen louter militair of politek waren en burgerslachtoffers dienden vermeden te worden, dan werd vanaf nu net die laatste groep geviseerd. Een tweede belangrijke kentering die ermee samenhing was dat de strijd steeds minder nationalistisch geïnspireerd werd en dat de theologisch-ideologische verantwoording een heel andere en nieuwe invulling kreeg. De laatste decennia is immers vooral het fundamentalistisch-soennitisch moslimextremisme aan een opmars bezig waarbij de jihad als strijd tegen ongelovigen vooropstaat. Binnen de verschillende soennitische stromingen grijpt elke leider(s) van zijn extremistische groepering (binnen het soennisme is er niet één geestelijke leider) terug op het geloof en oude geschriften naar argumenten voor zelfmoordaanslagen tegen burgers, waarbij interpretaties meer dan eens kunnen verschillen. Een constante lijkt echter wel te zijn dat de aanslagpleger niet gezien wordt als een zelfmoordenaar maar als een soldaat (mideeleeuws ridder) die sterft in de strijd.

In wat iets meer dan de helft van het boek bestrijkt, behandelt Overton deze vorm van terrorisme die zich via Israël uitbreidde over de wereld met 9/11 als de bekendste aanslag die moslimextremistische terreur voorgoed op de kaart zette. Net als in de vorige hoofdstukken tracht hij hierbij het gegeven binnen een breder cultureel en maatschappelijk kader te plaatsen waarbij in het bijzonder na 9/11 ook het mondiale perspectief steeds meer een rol begint te spelen. Hierbij krijgen uiteraard organisaties als Al-Qaida en ISIS de nodige pagina`s (hoofdstukken) toegemeten en besteedt Overton ook aandacht aan hoe deze organisaties onderling verschillen, wat de ideologische visie en rechtvaardiging is en op welke manieren ze niet alleen recruteren maar zich ook presenteren aan de buitenwereld. De moslimzelfmoordterrorist, laat staan de zelfmoordterrorist, bestaat dan ook niet, al tracht Overton in een apart hoofdstuk wel over de tijd heen op zoek te gaan naar parallellen en beweegredenen die steeds terug keren, zij het dat naargelang de organisatie of de aanslagpleger deze of gene beweegreden in meer of mindere mate een rol speelt.

Hoewel de aandacht in het boek vooral op de daders ligt en hoe het middel tot terreur van Russische dissidenten naar fundamentalistische moslims overging, besteedt Overton ook enige aandacht aan de slachtoffer van deze aanslagen en hoe zowel de politiek als het militaire apparaat hierop een antwoord tracht te geven alvorens afsluitend te reflecteren op hoe de post 9/11-wereld er een geworden is waar zelfmoordterreur een realiteit is waar nog geen sluitend antwoord op gevonden is. Conform de eerdere hoofdstukken wordt hierbij een mix gehanteerd van literatuurstudie, getuigenissen en persoonlijke reflecties. Maar waar die bij de beschrijvende hoofdstukken voor extra duiding zorgen, weet Overton vooral in zijn afsluitende conclusies niet voorbij de meer banale (zij het terechte) bedenkingen te komen en wordt nog duidelijker in de verf gezet dat hij in de eerste plaats een (beschrijvende) journalist is en niet een overkoepelend denker die de uitdaging hoe een antwoord te formuleren op zelfmoordaanslagen over tijd en ruimte heen kan heffen.

Het is de belangrijkste kritiek die op het boek gegeven kan worden, want hoewel Overton zelf meermaals tracht de verschillende organisaties en periodes met elkaar te verbinden, blijven ze toch grotendeels op zichzelf staan. Uiteraard zijn er parallellen te trekken maar het verschil tussen de Japanse kamikaze, Tamiltijgers en ISIS bijvoorbeeld blijven te groot om ze op een lijn te zetten. Dat Overton in het bijzonder in de eerste helft aandacht heeft voor die aanslagen die vergeten lijken, pleit voor hem, meer nog omdat hij waar mogelijk ook de plekken bezoekt en spreekt met getuigen en daders. De prijs van het paradijs schetst zo een lange geschiedenis van aanslagen en helpt mee een beter begrip te krijgen rond hoe het in het bijzonder binnen soennitische stromingen aanvaardbaar werd maar als grondige reflectie op het fenomeen blijft het geheel toch te schematisch en anekdotisch.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 3 =