Matthew Bourne :: Isotach

Na de onrust de stilte. Matthew Bourne verkende in de afgelopen vijftien jaar een kleine vrachtwagen aan muzikale uithoeken, en kwam na een persoonlijke crisis uiteindelijk terecht bij Isotach: spaarzame pianocomposities omwikkeld door subtiel dreunende cello’s, de simplesse van een man en zijn instrumenten.

In de korte liner notes spreekt Bourne van “een periode waarin mijn relatie met het maken van muziek terminaal leek”, waarna hij mits enige aansporing alsnog zijn liefde voor de piano terug vond. Dat instrument was op recent werk immers wat uit het oog verdwenen, en op laatste plaat Moogmemory werkte hij zelfs exclusief met een enkele moogmemory analoge synthesizer om opslorpende, minimale ambienttapijten te spinnen. Dat was een behoorlijke breuk met Bourne’s eerdere werk als excentriek jazzpianist in allerlei gelegenheidsensembles (waaronder het Belgische Trio Grande), of zelfs met zijn experimentele herinterpretatie van Kraftwerks Radio-Activity op Radioland (met Franck Vigroux). Op Isotach wordt die breuklijn alleen maar groter en is “less is more” opnieuw de belangrijkste leidraad.

Terwijl het gure Noord-Engelse weer wild tekeerging, trok Bourne zich terug in zijn woonst in Yorkshire met slechts zijn piano, cello en opnametechnicus Sam Hobbs als gezelschap. Dat levert een bijzondere plaat op die vooral aanknoopt bij het soort verstilde pianowerk dat figuren als Max Richter of Nils Frahm laten horen, al legt Bourne daarbij wel een harmonische gelaagdheid aan de dag die voorbij de soms voorspelbare tranentrekkerij van andere neoklassieke componisten gaat.

De nuance is vaak subtiel, en in verscheidene composities blijft Bourne zelfs vrij braaf binnen vooropgezette toonaarden, zoals in het verstilde “Duncan”, het prachtig meeslepende “Candela (for Sascha Heeney)” dat doet denken aan het beste werk van Rachel’s, of een aan Godspeed You! Black Emperor’s “BBFIII” herinnerend “Isotherm”. Soms is de schoonheid zo groot dat Bourne het als het ware niet kon uithouden om ze verder uit te melken, zoals in het diep ontroerende “Wedding Mala (for Dave & Nicola)”, waar cello’s aanzwellen en wegdeemsteren in de weergalmende pianoakkoorden. Na anderhalve minuut is het alweer gedaan, en vanuit de weerklank ontstaat “Extinction” dat een aantal boeiende chromatische bochten neemt en minutenlang durft inzetten op ongemakkelijke, onheilspellende akkoorden.

Elders zitten de dissonanten vaak verstopt in doorwerkingen van de openingsthema’s. Opener “Isotach” begint bijvoorbeeld nog melancholisch, maar bestaat in een tweede deel uit ietwat scherp nijpende akkoorden, terwijl een cellodrone de spanning onderstreept. In de meeste composities neemt de piano hier de leiding en wordt de cello soms gebruikt om wat textuurlagen toe te voegen, maar op “Valentine” treedt de cello volop naar voren met een extreem minimale drone die doet denken aan Bourne’s verkenningen van de sonische mogelijkheden van zijn synthesizer.

Bourne’s eerdere solopianowerk dreef dat soort contrasten veel meer op de spits: op het gevierde Montauk Variations was het gros van de composities eerder thuis te brengen in modern klassieke harmonische horizonten, met een enkele meer melodische étude ertussenin. Hier is die balans eerder omgeslagen in het voordeel van de conventionele harmonie, en gebruikt Bourne zijn onvoorspelbare oor voor melodie als een minutieus penseel om de schoonheid mits enkele goedgemikte ingrepen van de doordeweeksheid te redden.

Isotach is daardoor een erg mooie, vaak ontroerende plaat, maar één die op doordachte wijze weerhaakjes plaatst in zijn composities en daardoor een boeiende balans slaat tussen instant schoonheid en iets meer veeleisende, maar vaak meer voldoening gevende klankvorming.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =