Thee Oh Sees :: A Weird Exits

John Dwyer is een rusteloos mens. Amper een jaar na Mutilator Defeated At Last staat hij er alwéér. Met opnieuw een halve line-up wissel, met opnieuw een plaat onder de arm.

Het is steevast een gevaar bij superproductieve muzikanten als The Men, Ty Segall en ook Thee Oh Sees dat, door de constante toevloed van releases, de aandacht verslapt. Vergenoegdheid dreigt en afhaken wordt opportuun. Begrijpelijk, al zou dat een grove fout zijn bij deze versie Thee Oh Sees. Wie ze bezig zag op Pukkelpop deze zomer, weet dat de band een grenzeloze slagkracht bezit. Het constante verloop aan bandleden lijkt er, contradictorisch, nog wel een positieve invloed op te hebben. John Dwyer kan rond zich heen verzamelen wie hij wil: zijn optredens blijven murw slaan.

Maar waar Thee Oh Sees een geoliede podiummachine is, heeft de band traditioneel meer moeite met het bevatten van de ongebreidelde energie op plaat. De beduimelde psych/garagerock laat zich nu eenmaal beter consumeren tussen tientallen bezwete lichamen op een kleverige plankenvloer dan proper gewassen op de sofa. Zo zijn er maar weinig albums uit de omvangrijke — en, laat ons wel wezen, redelijk onoverzichtelijke — discografie die nog op een regelmatige needle drop kunnen rekenen.

Niet dat Thee Oh Sees ooit iets slechts uitbrachten. Integendeel, de zestien (!) albums variëren van behoorlijk naar steengoed. Weinig oeuvres kennen dezelfde consistentie, maar toch grijpt ze niet bij de ballen. Geen enkel album profileert zichzelf als genreoverstijgend. Anno 2016 zou nummer zeventien, geheel onbedoeld, wel eens de regelbevestigende uitzondering kunnen worden.

Is A Weird Exits daarmee de meest innovatieve plaat die ze ooit maakten? Moeilijk te zeggen, maar het is absoluut de eerste die perfect de hyperkinesie en georkestreerde chaos van de live ervaring weet over te brengen. Zo meurt “Dead Man’s Gun” gewoon naar lauw bier en vers zweet. Het gitaargeweld heeft zich sinds het vertrek van toetsenist Brigid Dawson opnieuw naar de voorgrond gehesen en creëert ogenblikkelijk meer viriliteit. Dwyers stemgeluid houdt onder de vele effecten het midden tussen Miss Piggy en een cirkelzaag en dwingt luisterbereidheid af. Ook “Ticklish Warrior” en “Plastic Plant” maken gebruik van diezelfde kwaliteiten. Het is vooral het laatste dat, met vele tempowissels en zware riffs herinnerend aan Black Sabbath, naar adem doet happen. Pogoën op de sofa lijkt opeens een meer valabele optie dan de afwas doen.

Ook wanneer naar het einde van de plaat het tempo zakt, volgt instant voldoening. “Unwrap The Fiend Pt. 2” bevat een aantal geestverruimende riedels die evengoed van Ruban Nielsons hand konden zijn. Waarna “Crawl Out From The Fall Out” het sterrendak finaal dichterbij brengt en de krioelende moshpit tot een schimmige herinnering herleidt. Dit acht minuten durend epos laat de bands veelzijdigheid zien en is mogelijks zelfs het beste wat ze ooit maakten. En daar stopt het niet, ook “The Axis” gaat op atmosferische hoogte verder. Dit lijkt Dwyers bloedstollende versie van “1983… (A Merman I Should Turn To Be)” te zijn. Het vormt dan ook een prachtig introspectief sluitstuk van een plaat die furieus startte.

De pitchforks van deze wereld zullen A Weird Exits niet de aandacht geven die ze verdient, daarvoor heeft Dwyer al te veel materiaal uitgebracht op korte tijd. Laat u echter niet vangen, dit is een van dé gitaarplaten van dit jaar. Dit is het soort album dat tegelijkertijd voldoening als honger naar meer geeft. Na zeventien pogingen mag het verdict dan ook welverdiend luiden: they fucking nailed it.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × vier =