Ben Watt :: Fever Dream

Gloedvol, warm, zonlicht weerkaatsend. Zowat alles wat de rest van onze wereld niet is, is de nieuwe plaat van Ben Watt wel. En zo is Fever Dream een fijne aanrader om even bij weg te dommelen.

Een kleine twee jaar geleden spraken we nog de hoop uit dat het niet opnieuw drie decennia zou duren voor Ben Watt, ooit de helft van Everything But The Girl, een soloplaat uit zou brengen. Tussen plaat een (North Marine Drive) en twee (het eveneens zeer mooie Hendra) lag immers 31 jaar (eat that, Guns N’ Roses). Maar blijkbaar heeft Watt genoten van zijn solo-uitstapje, waarbij hij vooral de akoestische gitaar opnieuw ontdekte, want nu is er dus een derde album Fever Dream. Ook nu kreeg hij hulp van Bernard Butler van Suede, maar het gaat er wel iets steviger aan toe dan op Hendra, toen hij op sobere wijze zijn aan kanker gestorven halfzus herdacht. Op dat album greep de Brit vooral terug naar de folkrock/jazzpop van begin jaren ’70. Die sfeer zit er nu nog altijd in, maar ze heeft een bescheiden elektronische schok gekregen.

Openingsnummer “Gradually” opent bijvoorbeeld meteen met een ritmisch suizende elektrische gitaar. Daarboven valt meteen de warme, volle stem van Watt op, die je het behaaglijke gevoel geeft van een goed gesprek met een intieme vriend. Op het einde volgt dan nog een stevige gitaarsolo die meteen het verdere parcours vastlegt. Op de titelsong gaat het er iets kalmer aan toe, en zeker het mooie refrein met zijn galmend, innige gitaar en Watts zang maakt indruk. Meer dan op Hendra valt op hoe die stem voor een belangrijk deel de plaat draagt. In het dramatische “Women’s Company” haalt de Brit in het refrein euforischer uit dan ooit met “You’re the One That I Want.” Ook “Faces Of My Friends” tapt uit hetzelfde vaatje. “Running With The Front Runers” is met zijn ritmisch gitaarspel het John Martyn-momentje van de plaat (zie ook “Golden Ratio” op Hendra) en roept zo misschien nog het meest herinneringen op aan zijn voorganger.

Naar het einde toe mag het dan toch opnieuw wat bezadigder zijn. Spijtig alleen dat het té slepende “Never Goes Away” niet meteen het beste moment van de plaat oplevert. Het magnifieke en meeslepende “Bricks And Woods” is dat echter wel en heeft weinig meer dan een warme, jazzy elektrische gitaar nodig om je binnen te trekken in het melancholisch gewentel van de song. In de prachtige slotsong “New Year Of Grace” speelt dan weer een bucolische dwarsfluit de hoofdrol, waardoor je je in een groen Engels landschap waant. En zo is Fever Dream een mooie plaat van een waardig ouder wordende man die met dromerige blik naar zijn verleden kijkt, en daar vrede mee neemt. De muziek roept misschien nog het meest van al dat gevoel van bezinning op, een kalme harmonie met het leven na het verwerkingsproces dat Hendra was. En dat is goed, voor even.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen + 5 =