Dogbowl :: Zone Of Blue

Dertig jaar al hangt man van vele talenten Stephen Tunney rond in de marge van de rock-‘n-roll. Eerst als een van de stichtende leden van cultband King Missile (die hij al verliet voor dat ene hitje, “Detachable Penis”, uitkwam), maar sinds eind jaren tachtig ook onder nom de plume Dogbowl. Het leverde nooit brede erkenning of commercieel succes op en dat zal met Zone Of Blue, het eerste muzikale wapenfeit sinds Songs For Narcisse uit 2005, ook niet veranderen.

Tunney is immers zo’n muzikant (én schrijver, én schilder) die moeilijk te verkopen valt. De man grossiert niet in extreme experimenten of heeft geen uitgesproken moeilijk karakter, maar wel een eigenzinnige aanpak die weinig uitstaans heeft met de wetten van de markt. Daardoor zit hij ergens in het midden tussen excentriekelingen als Julian Cope en Gruff Rhys en einzelgängers als Marshall Crenshaw en Peter Case. Figuren die rondhangen in een wereld van lo-fi bricolage, rinkelende pop, vroege psychedelica en geeky humor die nu en dan de kop opsteekt, maar nergens ontaardt in een krampachtige joligheid.

Tunneys songs, deze keer opgenomen met Belgische ritmesectie Philippe Decoster (bas) en Christophe Raes (drums), klokken stuk voor stuk af rond of onder de drie en een halve minuut, en klinken alsof hij ze een kwartiertje eerder pas afrondde. Het zijn sobere zolderkamerschetsen, franjeloos, op het onderontwikkelde af. Regelmatig verwant aan de psychedelische pop van de jaren zestig, maar dan vooral zoals die verwerkt werd in de jaren tachtig en negentig, door bands als The Rain Parade of Galaxie 500. Of Yo La Tengo in plundermodus.

Dat leidt op Zone Of Blue, dat ook gehuld is in artwork van Tunney zelf, tot een compacte collectie van een goed half uur die zo voorbij is en nergens de gemoederen zal doen oplaaien. De rinkelende gitaar van opener “Long Island Railroad” zet meteen de toon en je bent vertrokken voor een retrotrip door een land van songschrijversambacht die z’n draai jaren geleden al vond. Een enkele keer klinkt dat misschien een beetje onnozel (de heliumpop van “Love Is A Crystal”) of alsof Tunney een carrière als verloederde nachtclubentertainer op een haar na miste (“I Love You, I Love You”), maar meestal als een melomaan die de essentie uit zijn platencollectie probeert te persen.

Dat levert songs op die stuk voor stuk deugen. Zo zijn “Blue Ambulance” en “Long White Line” fijne stukjes psychpop, wordt Robert Johnsons “Love In Vain” succesvol overgeplant in een lo-fi universum dat voortdurend dreigt te exploderen in bombast à la Pulp (maar dat gelukkig niet doet) en gaat de man/vrouw-tegenstelling van “Transister Sister” (iets dat net zo goed van onze Kloot Per W. had kunnen komen) prima samen met de zwalpende sax van “Lunar Module” en de uitgeklede pop van het titelnummer. Songs die overtuigen, getuigen van vernuft en intelligentie (dat Tunney weg weet met woorden is al bekend van toen hij in 1992 album Flan koppelde aan een zelfgeschreven roman), maar misschien net te weinig opvallen om een nieuw publiek aan te trekken.

Dat is echter iets dat de man vermoedelijk worst zal wezen. Dit soort persoonlijke retropop heeft het voordeel dat het behendig de valstrik van kitsch en overproductie weet te vermijden, maar is natuurlijk ook enkel bestemd voor een kleine (maar vermoedelijk wel) loyale aanhang. Die krijgt zo ongeveer wat hij verwacht. Niet meer, maar zeker ook niet minder.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × vijf =