Neil Young & Promise Of The Real :: The Monsanto Years

Kijk eens aan, een protestplaat. Daar borrelt algauw de verleiding op om smalende termen uit de kast te halen. Horen die figuren uit de culturele sector zich namelijk wel te roeren in het debat, is een vraag die niet zelden opgeworpen wordt en waarop Ronald Reagan en Arnold Schwarzenegger, voor zover bekend, nooit antwoord geboden hebben.

Neil Young, al in 1966 van de partij om de gitaarlicks van “For What It’s Worth” in te spelen bij The Buffalo Springfield en vier jaar later de man achter “Ohio”, waarmee Crosby, Still, Nash & Young de Kent State Shooting op de korrel namen, is van oudsher een van de stemmen die zich geregeld in het debat laat horen, al dan niet op subtiele en artistiek interessante wijze.
Behoren voornoemde songs, net als het anthem “Rockin’ in the Free World” ondertussen tot de canon van de rock-‘n-roll, dan kunnen gerust vraagtekens geplaatst worden bij sommige andere songs waar Young mee op de proppen kwam.

Net zoals zijn andere songs, is het protestoeuvre van Neil Young nogal wisselvallig van kwaliteit. “Mideast Vacation” — niet toevallig uit midden jaren tachtig — lijkt er vooral op gericht liefhebbers van holle drums en kleffe synths te plezieren. Living with War, een plaat waarvoor het gecontesteerde beleid van George W. Bush als inspiratiebron diende, blijkt bijna tien jaar na zijn release al redelijk belegen te smaken.

De laatste aller hippies doet het echter opnieuw. Nadat hij vorige zomer, met een hersamengesteld Crazy Horse in zijn kielzog, zijn meest militante concerten in tijden afleverde, zorgt Young nu ook voor een militant studiowerkstuk. Dat vindt zijn — muzikale — oorsprong op Farm Aid 2014, waar Young, die de concerten organiseert met John Mellencamp en Willie Nelson, aan het musiceren slaat met Lukas en Micah, zonen van laatstgenoemde.

Enter Promise Of The Real, de band van Lukas Nelson. Ergens rond volle maan in april van dit jaar duikt het vrolijke gezelschap in een tot opnamestudio omgebouwde voormalige bioscoop in Californië, om er met dit werkstuk uit te komen. En daar zitten wij nu mee in de maag.

Natuurlijk siert het Neil Young dat hij ook vandaag nog steeds de wereld tracht te verbeteren. En er vallen zonder twijfel enorme vraagtekens te plaatsen bij de bedrijfspolitiek van Starbucks en Monsanto. Maar muzikaal werkt het hier geserveerde protest niet noodzakelijk aanstekelijk.

“Workin’ Man” is weliswaar een vrolijk voortdenderende rocker zoals ze doorgaans door Bruce Springsteen & The E Street Band afgeleverd worden en het over ruim acht minuten uitgesmeerde “Big Box” had niet misstaan op Ragged Glory. “People Want to Hear About Love” kan als ietwat naïef weggezet worden, maar valt nog te pruimen. Met “A Rock Star Bucks a Coffee Shop” glijdt Young stilaan af naar corny country.

De rest van de plaat is zeer middelmatige Young. De beste stukken van “Rules of Change” kunnen omschreven worden als Crazy Horse Light, maar zelfs dat is te veel eer voor een nummer waarin Young zijn klaagstemmetje bovenhaalt, iets dat alleen maar echt overtuigt op de parels van After the Gold Rush. In hetzelfde bedje is “Wolf Moon” serieus ziek en de titeltrack sleept zichzelf bijna acht minuten lamlendig verder. Oh, wil Young zijn tegenstrever er eenvoudigweg onder krijgen door hem dood te vervelen?

Helaas is dat laatste iets waarmee Young zo nu en dan vriend en vijand weet te treffen, meer zelfs: vrienden tot vijanden van elkaar maakt. Voor de ene is het vorig jaar verschenen A Letter Home een pracht van een minimalistisch meesterwerkje en het later dat jaar uitgebrachte Storytone een vervelende plaat vol huilbuien van een overjaarse puber, terwijl anderen exact het omgekeerde zullen beweren. Dat ook deze plaat voor tweedracht zal zorgen, staat in de sterren geschreven. Met een beetje geluk kan een opvolger echter weldra verwacht worden en als het enigszins meezit, wordt dat nog eens een Neil Young-plaat om te koesteren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + 5 =