Marilyn Manson :: The Pale Emperor

De antianarchistische prins van de duisternis is de laatste jaren gedegradeerd tot de gevallen rockheld met de grootste beauty case. Op zijn negende langspeler met band doet Manson het opmerkelijk zachter aan, waardoor hij voor het eerst enigszins gracieus oud lijkt te worden.

Nadat Manson het laatste decennium plaat na plaat beweerde terug te keren naar het rauwe geluid van Antichrist Superstar dat hem wereldfaam bezorgde – en daar met Born Villain ook even in slaagde, maar vergat er memorabele songs bij te schrijven – komt hij eindelijk eens met een nieuw geluid op de proppen. Voor de The Pale Emperor kanaliseerde hij naar eigen zeggen zijn innerlijke redneck, puurde hij inspiratie uit zijn cinematografische interessesfeer en goot hij daar een bluessausje overheen. Het resultaat is een geluid dat zachter en zelfs voor het eerst in jaren weer enigszins interessant genoemd kan worden.

Niet dat de eerste geluiden uit het nieuwe Manson-tijdperk veel goeds voorspelden. “Deep Six” is gedateerde hardrock waarover je een overjaarse ex-herrieschopper met te veel eyeliner ziet waggelen op een Golden Years-podium.
“Third Day Of A Seven Day Binge” introduceert het bluesier geluid, maar komt vast te zitten in de opbouw naar een climax die er nooit komt en mist een refrein dat de song vorm geeft.

Het geluid dat de laatstgenoemde track introduceert en dat op deze plaat tot leidraad is uitgewerkt, wordt op andere plaatsen veel beter tot stand gebracht met refreinen die de songs wel peper in hun gat steken en tot het beste werk van de band sinds de triptiek gerekend kunnen worden. “Killing Strangers” komt aardig binnenwandelen op een modderige gitaarriff en stelt Mansons stem nog eens centraal alvorens ze in de coda van het refrein door een scheurende gitaar te laten verzwelgen. Het refrein draagt een Mechanical Animals-toets in zich, terwijl de strofes er een bluesier geluid tegenover zetten. Even verder voert ook “The Mephistopheles Of Los Angeles” je aanvankelijk terug in ‘s mans oeuvre, meer bepaald naar het minder baanbrekende Eat Me, Drink Me. Hij toont echter aan wat dat album had kunnen worden zonder de overvloed aan bij de haren getrokken metaforen in de lyrics en de te zwaar tot fastfoodrock opgefokte melodieën.

Op de vorige platen ging het Manson steeds om de binaire keuze tussen hard beuken of hier en daar een rustpunt bieden. Hier kunnen deze twee elkaar weer vinden binnen één en dezelfde song. “Warship My Wreck” begint als een murder ballad die zich opwerkt naar één van de hardste refreinen van het album en zich als een derde luik in de nog steeds geweldige “Coma”-serie zou kunnen aanbieden.

In de tweede helft wordt The Pale Emperor spijtig genoeg behoorlijk monotoon. “The Devil Beneath My Feet” valt nog op door de combinatie van het lekker luchtige riffje over de laag electronica, maar weet voorts maar weinig te verbazen. “Birds Of Hell Awaiting” begint met een ingehouden dreiging maar eindigt in een explosie die niet past bij de sfeer die de song opbouwt. “Slave Only Dreams To Be King” slaagt er op geen enkel vlak in om punten te sprokkelen en is maar een rommelig doorslagje van het andere materiaal. Op het einde weet het album je nog even bij het nekvel te grijpen met de smerige barballade “Odds Of Even”, maar tegen dan is er toch al te veel middelmatigheid de revue gepasseerd om echt nog een zware indruk na te laten.

De ware relevantie van Marilyn Manson in ons huidige muzieklandschap lijkt zich te beperken tot een nostalgisch terugblikken naar die drie kanjers die hij aan het einde van de vorige eeuw onze richting uitkeilde. The Pale Emperor bevat enkel aardige songs en een geluid dat gracieuzer bij zijn oudere leeftijd past, maar is eerder een vooruitgang op de voorgangers dan een terugkeer naar de hoogdagen van weleer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × een =