Songhoy Blues :: Music In Exile

Soms is muziek maken echt gevaarlijk. Mali, bakermat van de Afrikaanse woestijnblues, is sinds 2012 verscheurd door een burgeroorlog. Door de opmars van de extremistische jihadi’s moeten heel wat muzikanten hun toevlucht zoeken in veiliger oorden. Zo ook de jonge leeuwen van Songhoy Blues.

Even beginnen met een korte geschiedenisles: tot het einde van de 16de eeuw heerste het Songhai-volk over een groot rijk, dat zich in het westen van Afrika uitstrekte over een enorm gebied langs de oevers van de Niger, waar onder andere steden als Timboektoe en de hoofdstad Gao deel van uitmaakten. Tegenwoordig zijn de Songhai een kleinere etnische groep die geen belang meer speelt in het politieke leven van Mali, waar de Bambara uit het zuiden van het land de plak zwaaien. Tijdens de recente burgeroorlog werd Gao het slagveld van een hevige strijd tussen het regeringsleger, onafhankelijkheidsstrijders en extremistische jihadi’s. Het gevolg was dat heel wat Songhai in 2012 veiliger oorden opzochten in het zuiden van Mali.

Zo ook de twee jonge muzikanten Oumar Toure en Aliou Toure (geen familie van elkaar, maar Toure is ginds een even gangbare familienaam als Janssens en Peeters samen bij ons) die een gemeenschappelijke muzikale passie hadden; niet alleen voor de traditionele lokale muziek maar ook voor westerse muziek zoals Jimi Hendrix, John Lee Hooker of r&b. Aan de universiteit van Bamako leerden ze gitarist Garba Toure (wiens vader jarenlang samenspeelde met de grote Ali Farka Toure) en drummer Nathanial Dembele kennen waarmee ze in 2012 Songhoy Blues oprichtten om in ballingschap de muziek en cultuur van de Songhai uit te dragen. Toen Damon Albarns Africa Express-team in september 2013 neerstreek in Bamako op zoek naar jong muzikaal talent, besloten de heren van Songhoy Blues hun kans te wagen. Met succes, want ze maakten meteen zoveel indruk dat ze onder auspiciën van Marc-Antoine Moreau en Nick Zinner van The Yeah Yeah Yeahs de studio indoken om er “Soubour” op te nemen dat uiteindelijk op de Africa Express-verzamelaar Maison Des Jeunes terechtkwam.

Met het toepasselijk getitelde Music In Exile, opnieuw met Nick Zinner en Marc-Antoine Moreau als producers, brengen ze nu ook hun debuutalbum uit. Het is muziek die duidelijk met beide voeten in de Afrikaanse traditie staat, maar toch vooral muziek van het hier en nu is. Het is geen berustende muziek die uitnodigt om bij te pakken te blijven zitten. Wat Songhoy Blues hier wil tonen is dat hun cultuur dan wel onderdrukt mag zijn in hun streek van herkomst, ze is nog altijd levendig zolang ze verder uitgedragen wordt. Het is meteen prijs in het door een heerlijke gitaarriff gedomineerde openingsnummer “Soubour”. Het album wordt gekenmerkt door percussieritmes die, zoals op ”Irganda” of “Al Hassidi Terei”, tonen dat dit muziek is om te beleven, om op te dansen, om in op te gaan. “Sekou Oumarou”’ is blues met spel van vraag en antwoord, zij het dan een van ritmisch vingerknippen voorziene Malinese variant. Op andere momenten wordt er ook wat gas teruggenomen. Op het melancholisch klinkende “Mali” waan je je — als je de ogen even sluit — zo in de stoffige en broeierig hete woestijnvlaktes van Mali. Ook “Desert Melodie” en “Petit Metier” zijn eerder contemplatieve songs, die iets dichter aanleunen bij traditionele berbermuziek.

Wie Songhoy Blues wil wegstoppen in het vakje ‘wereldmuziek’ (meestal een vergaarbak voor exotisch klinkende muzak) doet deze bende jonge Malinezen oneer aan. Op Music In Exile tonen ze dat ze urgente en noodzakelijke muziek maken. Dit is blues die leeft. Kortom: een sterk debuut dat hen hopelijk, in navolging van landgenoten als Tinariwen en Tamikrest, een groter publiek doet bereiken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − zeven =