Snack Family :: Pokie Eye EP

Ook wij zijn niet ongevoelig voor een prikkelende tagline, en als een band beschreven wordt als een kruisbestuiving van The Birthday Party, Captain Beefheart en Morphine… ja, dan is onze interesse gewekt. Dat Snack Family ooit op gelijke hoogte belandt als die bands, lijkt voorlopig onwaarschijnlijk, maar deze tweede EP is wel goed voor een kwartier vanop heuphoogte afgevuurde vunzigheid.

Begin 2014 werd het geslaagde recept van Snack Family al straf uit de doeken gedaan met de vier songs van Belly. Stotende grooves, bronstig slingerende voodoorock die van Londen het New Orleans aan de Thames maakt en vooral: een moddervette sound waarin diep ronkende baritonsax, strakke drums en in stonerdampen opgepompte gitaren voor een indrukwekkende wall of sound zorgen. Muziek van veel decibels, libido en de belofte van bandeloos gedrag. Van buiten zonder betalen en seks op plekken die eigenlijk bestemd zijn voor andere doeleinden. Voortdurend flirtend met het karikaturale, maar dit is dan ook geen lesje in non-idiomatische improvisatiestrategieën.

Pokie Eye ligt bij het eerste gehoor mooi in het verlengde van Belly, en een handvol luisterbeurten later is dat nog het steeds het geval. Dit is immers what you see is what you get-spul dat je gepresenteerd krijgt met een gemene rechtse. Ga er vooral geen al te complexe diepgang achter zoeken. Die zou alleen maar in de weg van de fun staan, en wat dat betreft is dit een oplawaai. Opener “Lupine Kiss” komt al net zo hard aan als “Long Pig” op Belly, met inderdaad iets dat vaagweg lijkt op het slidebasspel van Mark Sandman (Morphine), maar dan nog eens aangedikt met die smerige baritonsax en een primitief stampend ritme. Daarover dan nog eens een overtuigende Tom Waits-imitatie en de toon is gezet.

Met de resterende drie songs wordt die oerkreet in verschillende versies bewerkt. Afsluiter “Pokie Eye Poke Ya” start met een machtige saxschreeuw die heel wat meesters uit de freejazz verbaasd zou doen opkijken en maakt zich vervolgens op voor een heftig jakkerend ritme dat er in slaagt om postpunk en brute blues te verenigen. “No Reason” is even een afwijking van de beukende stijl en is één en al smeulende gitaar en zingende bas, waarover voorman Andrew Plummer kan croonen in z’n middernachtelijke paringsdansbariton. Cabaret voor achterkamertjes en doorrookte drankholen.

Best geslaagd, net als de cover van Beefhearts “Plastic Factory” (van diens debuutplaat Safe As Milk), al krijg je door die potige productie en de wat eendimensionale keel van Plummer een versie die wel heavier is dan het origineel, maar dat excentrieke randje van de Captain met z’n verrukte jodelhik mist en uiteindelijk doorsnee bluesrock wordt. En dat is misschien ook de reden waarom we aarzelen om deze band helemaal aan het hart te drukken. De sound is imposant, het samenspel is franjeloos en rauw, maar dat zou ook wel eens kunnen verhullen dat er achter die façade weinig meer schuilt om een toekomst te kunnen garanderen. Maar dat zijn zorgen voor later. Draai dit eens volle bak door de living als er nog eens volk over de vloer komt, en het zal niet duren voor er eentje komt vragen waar die herrie in hemelsnaam vandaan komt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − elf =