The Bryan Ferry Orchestra :: The Jazz Age

Bryan Ferry is 40 geworden dit jaar. Of preciezer, zijn carrière is dat geworden. En om dat te vieren, besloot de man om enkele van de meest iconische nummers uit die carrière in een nieuw jasje te steken. Op zich niet bijster origineel qua idee, moest het niet zijn dat het nieuwje jasje in dit geval behoorlijk oud is.

De titel van dit album, The Jazz Age, verwijst naar de periode tussen de twee wereldoorlogen, en dan voornamelijk naar de jaren ’20, toen het optimisme niet opkon, het leven maar niet leuk en ontspannend genoeg kon zijn, en er heel veel gedanst werd op de toen sterk in opmars zijnde Jazz. Het is dan ook naar deze tijdsperiode dat Ferry zijn nummers transporteert.

Dit is niet Ferry’s eerste trip naar vervlogen periodes. In ’99 bracht hij namelijk As Time Goes By uit, een album met crooners uit de jaren ’30 en ‘40, waarop hij voor de arrangementen geholpen werd door Colin Good. Deze laatste tekent ook ditmaal present. Grote verschillen met deze nieuwe release zijn dat Ferry op deze eerdere escapade, zoals we dat van hem gewend zijn, zong, en bovendien, ook geen verrassing voor hem, ándermans nummers zong. Ditmaal gaat het om puur instrumentale arragementen van eigen, dan wel Roxy Music, nummers in dus die typische jaren ’20 Jazz stijl, uitgevoerd door een voor de gelegenheid bijeen getrommeld Jazz orkest. Vandaar ook dat dit album gereleased wordt onder “Bryan Ferry Orchestra”, hijzelf speelt namelijk niet mee.

Het eerste dat opvalt bij het beluisteren van dit werk, is dat de arrangementen van topniveau zijn. Ferry en Good weten duidelijk waar ze mee bezig zijn, en kwijten zich met verve van hun taak. Ook de technische realisatie is uitmuntend, met een productie die daadwerkelijk één en al oude vinyl uit de jaren sneppekes uitademt, in die mate dat het zelfs even verschieten is wanneer het eerste nummer door de boxen schalt – zou er iets mis zijn met onze versterker? – maar dat we ons er een tijdje later op betrappen dat we ons verbazen over de afwezigheid van dat typische vinyl gekraak. Om het plaatje compleet te maken, is ook de artwork van datzelfde uitzonderlijke niveau. Dat hoeft niet te verwonderen, want deze is van de hand van Paul Colin, een toonaangevende posterartiest die actief was in diezelfde Roaring Twenties.

Helaas is dit alles ook meteen het grootste pijnpunt van dit hele concept. Ja, het is prachtig uitgevoerd, en tot in de puntjes verzorgd, maar wat is nu feitelijk de meerwaarde? Of die er dan persé moet zijn? Misschien niet, maar feit is wel dat de esthetische afgeliktheid na drie nummers wel wat begint te vervelen. Aanvankelijk is het nog leuk om de originele composities te zien schemeren doorheen hun nieuwe incarnatie, maar ook dat effect verdwijnt, en al spoedig blijven we over met wat, paradoxaal genoeg, slechts een vage kopie lijkt, net omdát we er steevast aan herinnerd worden dat dit geen originele nummers zijn, en de voldoening die die originele nummers ons verschaften ook nooit ingewilligd wordt. Op den duur wordt luisteren naar dit album zoiets als jeuk hebben waar je maar niet aan kan krabben: ronduit frustrerend. De nieuwe renditie van “Don’t Stop The Dance” is een notoire uitzondering op deze regel.

Al bij al moeten we dus concluderen dat het hele concept al snel de aard van een gimmick krijgt die al even snel vergeten zal worden als hij opkwam. Esthetisch uiterst mooi, maar in weze zielloos, net zoals een moderne foto die met behulp van een kleurenfilter en wat gekunstelde artefacten hopeloos “vintage” tracht te zijn. Als we Ferry willen horen, zetten we wel zijn albums op, en evenzeer zo voor de jaren ’20. Merken we voorts nog op dat dit album mooi op tijd verschenen is voor Kerstmis, en we durven ons vragen te stellen bij het werkelijke motief erachter: iets toevoegen aan Ferry’s uitgebreide discografie, of gewoon nog snel wat centjes in de kassa slaan?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 16 =