Sinéad O’Connor :: I’m Not Bossy, I’m The Boss

Eerst posters van de paus verscheuren, later Miley Cyrus uitkafferen en rondbazuinen dat ze sekspartners zoekt. Provoceren lukte Sinéad O’Connor vroeger net iets beter en minder aandoenlijk. Platen maken ook.

Twee fantastische platen leverden haar een vat krediet op dat pas begin deze eeuw drastisch begon te slinken met apathisch onthaalde uitstapjes als de Ierse traditionals van Sean-Nos Nua en de reggae van Throw Down Your Arms. Toch was er na het onbegrijpelijke (vanuit haar standpunt misbegrepen) Theology plots wél een sterke plaat na zo’n twintig jaar ploeteren: het frisse How About I Be Me (And You Be You). Op dat elan lijkt ze verder te willen met het sterk getitelde I’m Not Bossy, I’m The Boss.

Maar dat draait enigszins anders uit. Het artwork rond deze plaat, met een onherkenbare wegens zelfs lekkere O’Connor als rockchick verkleed, is boeiender dan het wat klinisch aandoende album zelf. Een shoot die samen met de te elfder ure veranderde albumtitel verwijst naar de BanBossy-campagne, die de term bossy uit de Engelse taal wil omdat die schadelijk en fnuikend is voor de carrière van jonge, ambitieuze vrouwen. O’Connor murwde zich daarbij in het gezelschap van een Beyoncé.

Niets van die boodschap op I’m Not Bossy… zelf, een verrassend makkelijk te behappen popplaat, en daardoor een pak eenvoudiger uit te zitten dan experimenten die klonken als door de psychiater opgelegde bezigheidstherapieën. Maar het klinkt allemaal wat vlakjes, zelfs ongeïnteresseerd en daardoor ook oninteressant. O’Connor zelf wijst in interviews op de grote afstand tussen haarzelf en de songs, allemaal gezongen vanuit verschillende vrouwelijke perspectieven. En die afstand hoor je in stem, klank en bezieling in het algemeen.

Het verklaart wel de, wederom verrassende, directe lyrics als “And I wanna make love like a real full woman” of “But you never had kisses like mine / So soft you’ll find yourself crying” die ze tegen haar op het internet gevonden sekspartner in het oor zou fluisteren. Eén devies in dat geval: Run, Forrest, run. Slechte songs zijn het geenszins, maar te onschadelijk in het gehoor. Tussendoor zijn er wel de opzwepende blazers in “Dense Water Deeper Down” die klinken alsof O’Connor echt een feel good plaat wou maken.

Nog goeds: de mooie, vintage O’Connor-zanglijn in “The Vishnu Room”, single “Take Me To Church” die toch een betere stek op de radio had moeten afdwingen en de tweede helft van “Harbour” waarin ze eindelijk nog eens kwaad klinkt. Maar dan omdat het moet, met afgevijlde nageltjes. Maar het zijn al bij al brave uitschieters tussen de FM-poprock van pakweg “Your Green Jacket” en het naar zoutloze r&b neigende “8 Good Reasons”. En O’Connor klinkt alsof ze dat zelf ook beseft.

Al bij al geen kwaaie plaat hoor, deze I’m Not Bossy — een omschrijving waar ook u het warm noch koud van krijgt, toch? Net goed genoeg om haar in het schemerlicht van de relevantie te houden. Het is alvast meer dan tien jaar geleden nog van haar werd verwacht. Maar meer wordt het wellicht niet meer.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − zeventien =