Warpaint :: Warpaint

Bijna exact tien jaar geleden, op Valentijnsdag 2004, besloten vier vrouwen dat ze maar eens samen muziek moesten gaan maken. Een goede beslissing, zo bleek achteraf, want na een EP, een persooneelswissel, een debuutplaat en een hoop critical acclaim wordt de mensheid nu aan langspeler nummer twee onderworpen, iets wat bezwaarlijk een straf te noemen valt.

Warpaint was al zes jaar actief toen hun eerste album in 2010 het levenslicht zag, wat meteen ook inhoudt dat, zoals vaak het geval is, dat album in feite bestond uit een collectie nummers die los van elkaar geschreven waren over die hele periode. De vraag die zich dan altijd bij de opvolger stelt is, is de groep in staat om op kortere tijd een kwalitatief en coherent geheel te creëren?

Het feit dat de Dames de hype niet naar hun hoofd hebben laten stijgen en hun tijd hebben genomen om met een vervolg te komen, was alvast een goed teken aan de wand. En alhoewel het nieuwe album na een eerste luisterbeurt verraderlijk veel op zijn voorganger kan lijken, is er toch aardig wat veranderd. Beide albums spelen zich in dezelfde wereld af, maar wel in verschillende contreien.

Voor de productie werd Flood ingehuurd, gekend van onder andere dat obscure Britse synthpop bandje Depeche Mode. En hoewel beide albums uiterst verschillend zijn, komt bijwijlen de geest van Songs of Faith and Devotion wel eens om de hoek loeren, meer bepaald die stuwende, pulserende oerkracht die verschuilt zit in nummers als “In Your Room” en “Rush”. Die onrustige wrijving die zich onder de oppervlakte lijkt te roeren, maar nooit helemaal naar buiten komt.

Het eerste album — hoewel allesbehalve gespeend van galm en delay — genoot toch nog een redelijk open en heldere productie. Deze opvolger giet daar een stevige scheut modderdikke, gitzwarte koffie over, en smeert het geheel nog wat verder uit met een fikse dosis kathedraalgalm. Gitaren zijn nog steeds prominent aanwezig, maar vervullen toch een andere rol. Zo lijken gitaarpartijen vaak meer uit een opeenvolging korte lickjes te bestaan dan uit continue melodische lijnen. Bovendien worden de gitaren in de mix meer op de achtergrond geschoven, terwijl de ritmesectie de tegenovergestelde beweging maakt. Verder wordt er veel meer met stemontdubbelingen en stem als extra instrument gewerkt en zijn ook synthesizers rijkelijk aanwezig, wat allemaal bijdraagt aan een rijk klankenpalet dat bijwijlen behoorlijk naar het etherische neigt.

Afgezien van het feit dat het album opent met een fout, zijn de eerste nummers (“Keep It Healthy”, “Love Is To Die”) nog behoorlijk traditioneel, maar gaandeweg lijken deze meer en meer te evolueren naar sfeerbeelden. Die overgang begint bij “Hi” dat gedragen wordt door de ritmesectie, tijdens het refrein bijgestaan door onopvallende synthesizers die pas bij de climax op het einde volledig uit hun schaduw komen. Van gitaren is hier amper sprake. Bij opvolger “Biggy” is het al helemaal zoeken naar een vers-refreinstructuur.

In die zin klinkt de muziek veel organischer en lijkt het album wel een grote, amorfe blob levend materiaal die rustig rondzweeft in de ruimte, en waar je van alles ziet gebeuren onder de oppervlakte. Op zich is dit het merkwaardige aan dit album: het lijkt stil te staan in de tijd en toch gebeurt er van alles. In dat opzicht is een voorzichtige vergelijking met My Bloody Valentine misschien wel gerechtvaardigd, ook al klinken beide groepen helemaal anders. Hoe dan ook, shoegaze is nooit ver weg.

Halverwege het album schudt een lichtjes groovy “Disco // Very” ons even uit onze roes. Denk: The Rapture’s “House of Jealous Lovers” on valium. Maar waar de groep het meest weet te verbazen is met “Go In”, het enige nummer van de hand van drumster Stella Mozgawa, en opgebouwd rond een gezapige contrabassample waarover een lethargische stem zijn verhaal komt doen, hoofdzakelijk bestaande uit het als een ware mantra herhalen van de zin “I’ll go in”. Het nummer lijkt zich af te spelen ergens tussen de realiteit en de dromenwereld, op dat punt waarop de wereld in een zwart gat verdwijnt. Ook opvolger “Feeling Alright” springt uit de bende door zijn duistere sprookjessfeer, voortvloeiend uit een swingende ritmesectie, aanstekelijke gitaarlicks en een stem die achter haar lieflijkheid mindere intenties te verbergen lijkt te hebben.

Sowieso kan gesteld worden dat deze Warpaint een aardige dosis pixie dust over zich heen gesprankeld heeft gekregen. Warpaint blijft trouw aan zijn sound, maar is niet bang om af te wijken van het veilige pad om die rijkelijk uit te breiden. Het resultaat is een album dat baadt in een sfeer waar je maar niet genoeg van krijgt en bijgevolg een voor velen benijdenswaardig hoog replay-gehalte bevat. Een lovenswaardige evolutie die het beste doet vermoeden voor de toekomst. Om af te sluiten nog een speciale vermelding voor Stella Mozgawa die zich duidelijk nog nooit zo comfortabel heeft gevoeld achter haar drumstel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − zeven =