Skadedyr :: Kongekrabbe

Skadedyr mag je gerust beschouwen als een van de gezichten van een aanstormende generatie van Noorse muzikanten die, vooral geschoold aan de conservatoria van Trondheim en Oslo, zinnens zijn om de klassieke associaties met Noorse muziek (en de jazz/improvisatie in het bijzonder) aan gruzelementen te schoppen. Debuutalbum Kongekrabbe laat een fris geluid horen van een twaalfkoppige band met ambitie en zelfrelativering, maar vooral ook een gretigheid die verschillende genres en werelden overspant.

Het was een weelde die we te horen kregen, daar in juni van 2013 tijdens het Match & Fuse Festival, maar Skadedyr, het geesteskind van pianiste Anja Lauvdal en tubiste Heiða Karine Jóhannesdóttir Mobeck, zorgde voor een opvallend concert dat even fascinerend als moeiteloos slalomde rond de klassieke genreconventies. De muzikanten, stuk voor stuk twintigers en in de weer in tal van andere bands (Moskus, Hullyboo, Skrap, Karokh, etc), hebben door de opmerkelijke instrumentatie, met o.m. blazers, strijkers, gitaar en accordeon, een brede waaier aan mogelijkheden ter beschikking en laten dan ook geen kans onbenut om de kantjes eraf te lopen.

Doorheen de vijf stukken, waarvan er eentje dan nog een aanloop is naar “Linselus/Due”, wordt een parcours afgelegd dat de luisteraar het ene moment midden in een vertrouwde omgeving neerzet (met folk-, pop- en psychedelische invloeden), om hem daarna te overstelpen met tactieken die doorgaans op het terrein van de avant-garde thuishoren. Zo gaat het ook in “Linselus Intro”, met geblazen lucht, de piepende stem van Ina Sagstuen en een heen-en-weergekets van oneigenlijk instrumentengebruik, dat zo kan plaatsnemen naast de Cobra-experimenten van John Zorn.

Muziek die zeurt, tuimelt en schijnbewegingen maakt, botst en slipt, en dan mooi overgaat in een meer gestroomlijnd vervolg, terend op een wandelende baslijn die nadrukkelijk naar de pop neigt, maar het stuk nooit onder controle krijgt. Het lijkt wel alsof er twee sporen naast elkaar lopen: dat van de melodieuze motieven en de sirenezang, en daarnaast het spoor van een flippende accordeon en dreigende chaos, dat uiteindelijk uitkomt bij een denderende carrousel van psychedelica en 60’s exotica met kletterende drums en krabbelgitaren. Tot je plots een wending krijgt, en een tweede helft die heil zoekt bij spaarzaam minimalisme met sober pianowerk en etherische zang.

De titeltrack klinkt wat filmischer, met vooral ongemakkelijk zittend strijkwerk van de viool, waarmee de sfeer herinneringen oproept aan de wereld van Eyvind Kang, maar ook aansluit bij die van Krzysztof Komeda. Het basisthema wordt steeds dwingender, met een opduikende statigheid als resultaat. Die wordt dan weer gevolgd door het knip- en plakwerk van “Partylus”, dat de meest uiteenlopende stijlen (New Orleans pianomuziek, tango, Cramps-achtige rock-‘n-roll) en referenties (“Firestarter”, “Like A Rolling Stone”) in de mangel gooit, afgewisseld met melancholische blazers en struikelritmes. Hier en daar voelt de collage wat stijf aan, maar het korte folkachtige stukje voor hunkerende viool, fragiele piano en bedwelmende stem doet even de tijd stilstaan.

Slotstuk “Lakselus” keert terug naar de tweede helft van “Linselus”, met een meer ingetogen geluid, maar ook met een been in de avant-garde van bliepende elektronica, rammelende percussie en onvoorspelbare intuïtie, die meer vorm krijgt in de tweede helft met z’n ritmische puls. Een knap einde van een band die met alarmerend gemak een bonte plaat uit de mouw schudt die een duidelijk bewijs is van een grenzeloze collectieve bagage. En dit is nog maar het begin. Je moet er niet aan denken wat de mogelijkheden hier nog zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × een =