Sleigh Bells :: Bitter Rivals

Het Amerikaanse noisepop-duo keert terug met een kleinood dat enkele rake klappen uitdeelt, maar toch geen volledige ronde kan blijven boeien.

Voor hun derde langspeler kiest het Amerikaanse duo Sleigh Bells nog resoluter voor de voorhamerpoprock die op Reign Of Terror al hier en daar zijn opwachting maakte. De titeltrack valt alvast met de deur in huis: een hoge kreet, wat gehijg over een roestige gitaarriff en dan kan je van de top van de achtbaan het album induiken met een kolkende portie riot grrrl waar de nineties-nostalgie van afdruipt. Het refrein dat het midden houdt tussen een dominatrix drill en een cheerleader chant is een oorwurm die je een peer tegen de muil geeft en nadien de dansvloer opsleurt. Kathleen Hanna zou terecht trots zijn op dit ongegeneerd agressieve sneetje stoerdoenerij.

Deze gebalde plaat — in net geen half uur is de klus al geklaard — huist quasi exclusief dergelijke popdeunen met vlijmscherp geslepen weerhaken die vaak een echo van een teloor gegaan genre laten weerklinken. “Single Like A Wire” vertrekt vanuit de synthpop van de late eighties om er her en der een flard beukrock doorheen te laten zagen. Met zijn afwisseling van het bijna cartooneske aftelrijmpje van de bridge en het refreingebrul herinnert “Minnie” dan weer aan het veel te snel ter ziele gegane Jack Off Jill en bij uitbreiding de hoogdagen van riot grrrl punkgeest.

Adempauzes zijn schaars op Bitter Rivals. Op “You Don’t Get Me Twice” is even een akoestische gitaar te horen tegenover het hip-hopritme. “Young Legends” trekt resoluter de popkaart zonder er een uppercut bij te presenteren. “To Hell With You” sluit zich daarbij aan, maar gaat er dan net te ver in; neem de beat weg en je eindigt bij een popplatitude in plaats van pastiche. Deze tempowissels zijn echter te schaars aanwezig en maken van dit album het minst gevarieerde uit de Sleigh Bells-stal.

In se staan er geen slechte nummers op Bitter Rivals, wel veel te veel autorecyclage.
Het tweede nummer “Sugarcane” is eigenlijk al een minder boeiende variant van de titeltrack, die de punch pakt in de gitaarriff, maar niet in de zanglijn. Vooral in de tweede helft duikt de plaat resoluut de vergetelheid in en hoor je inwisselbare tracks tot de aardige afsluiter “Love Sick” eindelijk nog eens met een andere melodie aan komt draven en de plaat zowaar met zoetgestemde kerstbellen afsluit. Voor een plaat van amper tien nummers lang is dit onvergeeflijk. In het begin grijpt ze meedogenloos je aandacht, maar halfweg voel je je interesse wegglijden en de razernij van Alexis Krauss tot achtergrondgekef verworden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × drie =