PUKKELPOP 2013: Main Stage :: Vrijdag 16 augustus

Dag twee en het zomert op de festivalwei. Daar kan stilaan een nieuwe weerspreuk aan opgehangen worden: “Duikt enola’s (pn) op, dan wordt het heet op Pukkelpop.”

De vette vijftien van Pukkelpop:
Wie meer Pukkelverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de vijftien beste concerten hieronder.

De afknapper

De hitte zorgt ervoor dat het loom ontwaken is op de weide, maar Puggy laat zich dat niet aan het hart komen en smijt zich compleet. De band, bestaande uit een Engelse zanger-gitarist, een Franse bassist en een Zweedse drummer, werd al opgericht in 2005 in een Brusselse jazzschool – vandaar dat de groep erop staat zich Belgisch te noemen. Toch begint het nu pas met hun derde plaat ook in Vlaanderen te lopen, waar ze in bijvoorbeeld Wallonië en Frankrijk al een gevestigde waarde zijn.

Puggy laat zich nog het best samenvatten als een School Is Cool zonder peper in het gat, maar met een flinke lepel popdressing over. Zoals in “Ready Or Not” bijvoorbeeld, waar er ook vol voor percussie en opzwepende samenzang wordt gegaan, maar het leidt tot nooit een complete euforie. Het fluittoontje van “Goes Like This” doet dan weer heel hard denken aan Peter, Bjorn en John’s oorworm “Young Folks”. Het publiek laat het zich allemaal welgevallen: de eerste danspasjes worden gezet, de eerste bikini’s duiken op. Het culmineert in het voorspelbare hoogtepunt “When You Know”, waarin Matthew Irons oproept tot de eerste samenzang van de dag, wat nog lukt ook. Sympathieke, gedreven, feilloze openingsset. Meer moet dat niet zijn op dat uur, onder die zon.

Wat is dat met die bands die allemaal het publiek opwarmen met Queens “Bohemian Rhapsody”? Dat gaat nog een tijd duren eer alle uitvloeisels van Green Day uitgewist zijn. Noah And The Whale kiest voor een symfonische versie en heeft succes met dat effectbejag. Maar boon komt om z’n loon: na amper twee minuten wordt de set afgebroken wegens technische problemen. Charlie Fink krijgt er echter geen loeten door en stapt wat later doodgemoedereerd weer het podium op om een licht voorspelbare maar ook daardoor steevast degelijke set te spelen. De gezapige folk van Noah And The Whale ontbeert het The Strangers-gehalte van Mumford And Sons (“geen tam-tameram-tameram-tamerikoantje” bij hen). Bovendien is het hartzeer van Fink (net als Marcus Mumoford een ex van Laura Marling) ondertussen uitgedoofd. Weg is de melancholie, de zon is de perfecte soundtrack bij songs als “5 Years Time”. De ideale achtergrond bij de “ah gij ook hier?”-gesprekken die rond dit uur pieken.

En dan is het tijd voor het hoogtepunt van de dag, tenminste als we de volksverhuizing mogen geloven die plaatsvindt richting hoofdpodium. Major Lazer dus, naar het schijnt de best mogelijke vervanger van Neil Young, of toch iets in die aard. Terwijl de rest van de enolaredactie wat zit te mokken in een hoekje, besluit (lt) onder het motto “alleen maar blije gezichten” dat daar niet zo dramatisch over gedaan moet worden: in de Dance Hall vorig jaar was dit immers een feest met roetsjbaanallures, en zo veel valt er verder ook weer niet te zien op dit namiddaguur. Jammer maar helaas: voor de derde keer dezelfde trucjes – T-shirt-slingeren, confettikanonnen, daggerende danseressen – op twee zomers tijd, dat is duidelijk de keer te veel. Uiterààrd was het aangenaam loos gaan tijdens “Bumaye” (zagen we daar toch een verdwaalde enola’er voorbij hossen?), maar de voorgeprogrammeerde set met alle “Harlem Shakes” en andere vervelende Macklemores die dit jaar de radio teisterden konden we al het hele weekend lang in de Boilerroom krijgen, gesteld dat we dat wilden.

“Oh my God; hoe volg je in Godsnaam Major Lazer op?” stoot Nate Ruess een kwartier in de set van Fun. uit, en hij heeft het antwoord op dat moment zelf al gegeven: met kitscherige poprock die het grote gebaar niet schuwt. De aanvankelijk alweer leeggelopen wei is dan toch weer een beetje gevuld voor de volstrekt ongevaarlijke muziek van deze Amerikaanse groep, en die kwijt zich van de opgelegde taak: bewijzen dat er meer aan hen is dan hit “We Are Young”. Een set vol overenthousiaste en pompeuze Up With People-achtige rock volgt met onder andere “One Foot” en een emotioneel meegezongen — een cameraman zoomt alvast gretig in op een huilend tienermeisje op de eerste rij — “Carry On”, maar als Ruess ook nog eens gaat duetteren met zijn toetseniste vragen we ons maar één ding af: “Is dit misschien Disney?”. Hitjes “We Are Young” en “Some Nights” passeren vervolgens nog, waarna de brave Rolling Stonescover “You Can’t Always Get What You Want” — alweer zo’n seuterige boodschap — mag afsluiten. Ach. Laat Ruess gerust een musical of vier schrijven, maar hou hem ver van de rockwereld; het is niets voor hem.

En dan kom je wat bedremmeld uit de Club, loop je Skunk Anansie tegemoet. Het vehikel dat indertijd Skins solocarrière moest lanceren, nu het vehikel dat ervoor moet zorgen dat men naar haar blijft luisteren. Ach ja, niks tegen ninetiesnostalgie, wel integendeel, maar twee bands vanavond wiens hoogtepunt midden jaren negentig ligt, is wel te veel van het goede. Skunk Anansie alleen al is dat ook. Al zal dat niet aan Skin liggen: ze springt het podium op en het publiek in alsof ze sinds de jaren negentig aan de ketting heeft gelegen, helaas klinken de songs uit hun laatste twee platen Wonderlustre en Black Traffic alsof ze uitgedroogd en -gehongerd nog steeds aan die ketting liggen. Pas wanneer het verroeste blik hits uit hun glorieperiode opengaat (“Twisted”, “Weak”, “Charlie Big Potato”) doet de weide van Afrekeningsfuifnostalgie tot aan de PA. Maar voor de rest niet te lang meer rekken, jongens. De tijd is niemands vriend en zeker die van jullie niet.

Toen Eels in april van dit jaar in het Koninklijk Circus een amusant concert speelde, prikten we al een denkbeeldige pin in het hoofd met als opschrift ‘festivalplezier’. De donkere trainingspakken inclusief even donkere zonnebrillen, de nonchalante aanpak, het spelplezier. Ja, dat zou wel eens kunnen werken op een geurende wei met een duur pilsje in de hand. Het bleek zoveel maanden later toch wat voorbarig. Eels begon stevig aan de set met “Cancer For The Cure” en even hoopten we op nog meer lekkers uit die periode van de discografie. Het was snel over. Waren we in Brussel “That Look You Give That Guy” al beu, dan mag E dit nu wat ons betreft wel als zijn “Creep” of “Mr. Jones” gaan beschouwen.

Er zat ook wel wat storende ruis genaamd voorspelbaarheid op de machine van Everett. Elke intro, elke grap (gespeeld spontane introducties van de band), elke verbazing (“It’s a mash-up!” over het door elkaar haspelen van “My Beloved Monster” en “Mr. E’s Beautiful Blues”) had er last van. En wij dus ook. Eels op Pukkelpop miste vaart en bezieling. Het is zonder twijfel tekenend dat we vooral de covers onthouden. “Oh Well” (Fleetwood Mac) deed ons dansen, “Beast Of Burden” (Rolling Stones) wist goedkeurend geknik los te weken, maar vooral het eerbetoon aan Neil Young deed ons deugd. “Cinnamon Girl” klonk zoals het moest klinken, zoals Neil Young & Crazy Horse hadden moeten klinken. En deed ons beseffen dat deze editie een jammerlijk onthoofde editie is, waarbij de aanwezigheid van het lachwekkende Major Lazor nog wat bitter zout in de open wonde kwam strooien.

Skunk Anansie, Eels,.. wat is dit hoofdpodium? Een reliek uit 1997? Wel ja; want afsluiten mag The Prodigy doen. Heeft dat zin? Bwahja, zolang ook de groep doet alsof het vijftien jaar geleden is, valt het allemaal wel mee. Keith doet weer semigevaarlijk als altijd, Maxim is nog steeds een opjuttende publieksmenner, en de beats knallen zoals Skrillex het nog steeds niet echt kan. Maar laat de groep alstublieft geen recenter werk spelen (U weet wel, van deze plaat) of — Godbetert — met dubstep gaan stoeien, want dan weet u niet welke kant eerst opkijken van verveling. Dat het ondertussen ook zachtjes is beginnen regenen helpt ook al niet. Op de tonen van “Out Of Space” wandelen wij out of de wei, in de geruststellende wetenschap dat het gras morgen weer wat groener zal zijn. Of niet?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 2 =