LES NUITS: Will Samson + Valgeir Sigurðsson + Ólafur Arnalds :: 9 mei 2013, Koninklijk Circus

Een driedubbele portie weemoed stond op het programma van deze zevende nuit. In een matig gevuld, doch in een gezellige rust badend Koninklijk Circus waren het voornamelijk de neoklassieke Ijslanders die de grootste emoties konden loswrikken.

Aftrapper Will Samson was op meerdere manieren de vreemde eend in de bijt: zijn Britse nationaliteit zonderde hem al af binnen de avondprogrammatie en met zijn singer-songwriterversie van postfolk stond hij ook muzikaal buiten het speelveld van het komende duo. Ooit deelde deze sympathieke, schuchtere man een metalverleden met Ólafur Arnalds, ondertussen heeft hij echter ook rustiger oorden opgezocht. Hij speelde een kort setje uit zijn laatste langspeler Balance: kleine, fijne liedjes die als achtergrondinkleuring bijster innemend klinken, maar in de live confrontatie net te mager uitvielen.

De voornaamste reden daarvoor was dat Samson de kunst der afweging nog meester moet worden. In een wip schakelde hij van staccato gitaarnaaktheid naar een diepe laag elektronica die het opgebouwde organische geluid molesteerde en hem als een remix van zichzelf liet klinken. Ook in zijn stemgebruik moet hij nog dosering vinden: de overgangen van kop- naar buikstem verliepen te hard. Bovendien kregen we het gevoel dat hij in beide uitersten zijn stem aan het forceren was, waardoor hij in basstem naar een afgevlakte Fink neigde en in de hoge noten naar een poging tot Jónsi met een storende korrel. Sfeervol als een prille zonnestraal op je bol, maar aan de uitvoering dient nog geschaafd te worden.

Valgeir Sigurðsson opende zijn set eveneens in lichte oorden, met een van de frivolere stukken van violiste Nadia Sirota’s album Baroque. Meteen erna liet hij een eclips over het Circus neerdalen door zijn recente meesterwerkje Architecture Of Loss aan te snijden. Zijn stukken klonken niet opmerkelijk anders dan in de studioversies, maar kregen live nog dat extra beetje doorbloeding die de schmerz des te tastbaar maakten. In “Between Monuments” trok hij je met harde pianoklanken en aanzwellende strijkers naar zich toe alvorens een aanval op de zinnen te plegen met een zware, meedogenloze laag elektronica. Het nummer werd, net als andere composities, abrupt afgebroken. Dit plotse einde in medias res na een lange opbouw vormde mogelijk een frustratiepunt voor wie niet met ’s mans album vertrouwd was, maar toonde tegelijkertijd een harde realiteit van het leven die de vluchtigheid van een opgebouwde emotie onderschreef. Door een spel met de klankafkomst leek “Reverse Erased” het offensief nog een stapje verder te nemen: terwijl alle muren van het Circus leken te daveren, kwam de porositeit van de onderliggende klassieke melodie onder dreiging te staan. Sigurðsson’s hele set baadde in een meesterlijke balans van contrastwerkingen: mens & machine, hard & zacht, luid & stil; alle componenten waren perfect afgewogen en speelden glansrollen binnen een groter geheel. Aan het eind ging hij nog een stap verder: door Ijslandse traditionals met zware scheuren elektronica te doorrijgen, vond hij ook een opvallend compromis tussen oud en nieuw.

Ólafur Arnalds grossierde eveneens in weemoed, zij het van een serener soort. Hij leidde zijn publiek binnen via een breed uitwaaierende, verstilde klassieke compositie à la A Winged Victory For The Sullen, zij het met een gelukzaligere uitstraling. Meer dan zijn voorganger liet hij de klassieke instrumentatie centraal staan — de vioolsolo “We (Too) Shall Rest” was ondanks enkele technische foutjes een hoogvlieger in simpliciteit. Er was elektronica, maar ze vond als een schaduw haar weg in de set. Arnalds toonde zich over het algemeen opmerkelijk fragiel alvorens de beats als een zonsopgang de melodieën te laten liften. Gradueel slopen er meer van deze soundscapes in de set, die de composities bij momenten harder of duisterder maakten, zoals in “This Place Was A Shelter” het geval was, maar nooit een overheersende rol speelden.

Verstilling speelde de glansrol in een set die voornamelijk uit de laatste plaat For Now I Am Winter putte. Elke vallende beker of krakende zool leek een donderslag teweeg te brengen; dit was immers poreus materiaal dat in al zijn vluchtigheid innig gekoesterd diende te worden. Enkel de reeks kille neonlichten op de achtergrond mocht je bij momenten even uit je trance verstoren als begeleiding van een hardere noot. Het eind van de set introduceerde met de opkomst van Arnor Dan zang in het werk, wat de laatste nummers in een anderssoortige sfeer onderdompelde, die emotioneel net iets te dwingend werd. Uiteindelijk was je al te sterk gehypnotiseerd om hier nog in mee te gaan. Vooral wanneer Dan “Old Skin” tot Arid deluxe omvormde, werd het sentiment te tastbaar en daardoor bij momenten zelfs goedkoop. Wanneer Arnalds met de ode aan zijn grootmoeder “Lag fyrir ömmu” de avond solo afsloot, kreeg je toch nog een afscheid om de tranen over de kaken bij te voelen lopen. Al bij al alweer een avond van overwinningen dus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 3 =