Miles Davis Quintet :: Live In Europe 1969, The Bootleg Series Vol. 2

Met het tweede volume in de Bootles Series maakt het label z’n belofte helemaal waar. Een deel van deze concertopnames uit 1969 deed al jarenlang de ronde in het ondergrondse bootlegcircuit of kon je al horen als onderdeel van een Bitches Brew box set, maar nu de opnames van het ‘Lost Quintet’ voor het eerst officieel beschikbaar zijn, wordt duidelijk dat ze een essentiële schakel zijn voor een goed begrip van de overgang naar Miles Davis’ voluit elektrische periode. En zelfs zonder die context bevatten deze vier schijfjes (3 cd’s en een dvd) gewoonweg uitstekende muziek.

Het befaamde ‘Second Great Quintet’ met Davis, Wayne Shorter, Herbie Hancock, Ron Carter en Tony Williams werd al uitvoerig gedocumenteerd. Er werd een resem albums uitgebracht, het al langer beschikbare (maar intussen alweer onvindbare) The Complete Live At The Plugged Nickel 1965 wordt gerekend tot de sleutelreleases van de moderne jazz en het eerste deel uit de Bootleg Series (2011), met live opnames uit 1967, bevestigde alleen maar de bewering dat die band een van de meest begaafde working bands uit de jazzgeschiedenis was. Maar dat ‘Lost Quintet’, daar is dus heel wat minder over bekend.

De oorzaak is vermoedelijk dat met het einde van zijn klassieke kwintet in 1968, toen Williams fusiongeschiedenis ging schrijven met Lifetime en Hancock en Carter andere oorden opzochten, een tumultueuze periode aanbrak voor Miles, waarbij voortdurend geëxperimenteerd werd met grotere en kleinere bezettingen, zowel live als in de studio. Daarnaast werd ook een aanloop genomen naar de elektrische periode die hem plotsklaps in het midden van de rock-‘n-roll-revolutie plaatste, aan de zijde van bands als The Grateful Dead en Santana. De muziek ging eveneens meer overeenkomsten vertonen met de psychedelische funk van Sly & The Family Stone dan de jazz waar hij zich voorheen mee bezig hield.

Van dit kwintet met oudgediende Wayne Shorter (tenor- en sopraansaxofoon), Chick Corea (elektrische piano, iets waar die aanvankelijk zelf niet mee opgezet was), Dave Holland (contrabas) en drummer Jack DeJohnette van het populaire Charles Lloyd Quartet, was alleen die laatste niet te horen op het eerder dat jaar opgenomen In A Silent Way. Ze zouden ook allemaal opduiken op de volgende, legendarische studioplaat (Bitches Brew), maar dan in het gezelschap van een hele reeks andere muzikanten. Van dit kwintet bestaan dus geen studio-opnames, waardoor het uitbrengen van deze vier concerten, twee uit juli en twee uit november van 1969, enkel maar aan belang wint.

In de uitvoerige liner notes wordt gewag gemaakt van “a musical identity in transition” en dat is net wat je te horen krijgt. Deze band heeft duidelijk al afstand genomen van de gestileerde postbop van het tweede kwintet. Het gaat er allemaal wat vrijer en iets rauwer aan toe, met Corea, Holland en (vooral) DeJohnnette die net iets expressiever tewerk gaan dan hun voorgangers. Hier en daar voel je al bijna de neiging om funk te incorporeren, zonder dat de open aanpak en directe rockritmes het voor het zeggen krijgen. Door enerzijds die complexiteit te behouden, en anderzijds een expressiviteit toe te laten die nog niet hoofdzakelijk vanuit rockimpulsen gecreëerd werd, krijg je hier enkele van de meest vrije opnames uit Davis’ carrière te horen.

Het moet ook zowat de laatste keer geweest zijn dat zijn concerten zo’n brede waaier aan composities bevatten, met een handvol ‘oudjes’ als “No Blues”, “Milestones”, “’Round Midnight” (hier radicaal vertimmerd) en “I Fall In Love Too Easily”, stukken uit de vorige periode, die vaak van de hand van Shorter waren, zoals “Masqualero”, “Footprints”, “Nefertiti” en “Paraphernalia”, maar ook nieuw materiaal uit In A Silent Way (“It’s About That Time”) en vier stukken uit Bitches Brew, dat enkele weken na de concerten van juli zou opgenomen worden, waardoor deze versies nog als work-in-progress beschouwd kunnen worden.

De concerten van 25 en 26 juli in Antibes volgen een gelijkaardig parcours, door van start te gaan met Joe Zawinuls “Directions”, te eindigen bij “Sanctuary” en onderweg een slingerbeweging te maken tussen oud en nieuw werk. Beide versies van “Directions” laten alleszins een ongemeen energieke band horen, met opzwepend en donderend drumwerk van DeJohnnette en een groepsinspanning die duidelijk een nieuwe fase aankondigt. Bovenal is het echter Davis zelf die indruk maakt, met een agressieve attack die op dat moment nog niet overgegaan was in de meer minimalistische, en vaak met effecten versierde aanpak van de latere elektrische jaren.

Hetzelfde effect doet zich voor in de versies van het meer op grooves gebaseerde “Miles Runs The Voodoo Down”, waarin de trompettist gretig schettert en spettert. Opvallend is ook Shorters spel op de sopraansax. Die beperkte zich tot 1968 enkel tot de tenorsax en combineert hier de twee. De sound is wat dunnetjes en lijkt nog niet het karakter te hebben dat hij in latere jaren ontwikkelde bij Weather Report, maar de gensters spatten er niettemin vanaf. De klassiekers zijn vanzelfsprekend iets conventioneler en ingetogener van aard, maar lijken al evenzeer doordrongen van een grotere intensiteit en amper onder controle gehouden weerbarstigheid.

De nieuwe muzikanten die Miles hier rond zich verzamelende waren op dat moment nog twintigers, maar dat ze de dag van vandaag allemaal beschouwd worden als iconen van de jazz zegt genoeg over zijn talent om meesterlijke muzikanten rond zich te verzamelen. En ze laten hier elk ook dingen horen die boeiende carrières aankondigen, zoals de prachtige solo van Holland in “No Blues” en het redelijk abstracte spel van Corea in “Miles Running The Voodoo Down”, waarmee hij de zinderende gitaarpartijen van McLaughlin in de studioversies leek aan te kondigen. De harmonische vrijheid en openheid nemen echter nog toe op de derde cd, met opnames uit november van dat jaar.

Bitches Brew was intussen ingeblikt (maar nog niet uitgebracht) en de band speelt met een donkere intensiteit die vanaf de titeltrack centraal staat. Dat Corea door technische problemen (een gekraak dat duidelijk hoorbaar is) moet overschakelen naar akoestische piano, maakt de spanning er niet minder op. Integendeel. In slotstuk “This”, gehaald uit de tweede set, bereikt de band de piek van de vrijheid. Corea’s compositie is eigenlijk pure freejazz, waarbij muzikanten aan de slag gaan met een openheid die je zelden nog zou horen in ’s mans oeuvre. Corea en Holland zouden die radicale improvisatie snel verder verkennen met Anthony Braxton en Barry Altschul als Circle.

De opnames van de dvd bevatten een concert dat enkele dagen later opgenomen werd en opnieuw een mooi beeld geeft van de vanzelfsprekende virtuositeit van het kwintet. Van de nette kostuums is intussen geen sprake meer. Met z’n hippe leren jasje en oranje sjaaltje kondigt Miles al het streetwise imago van On The Corner (1972) aan. Deze drie kwartier bevatten een mooie dwarsdoorsnede van de aanpak van de drie cd’s en laten goed horen (al moet je Hollands spel wel gaan zoeken met een koptelefoon) hoe het kwintet aan de slag ging met het materiaal.

Kortom: Live In Europe 1969 laat dit icoon van de jazz niet enkel horen in de overgang tussen twee cruciale periodes uit zijn ontwikkeling, maar ook in het bijzijn van een band die niet enkel bereid was om de meester te volgen op zijn avontuur, maar die het ook wist uit te dagen. Het is vaak herhaald dat Miles de free jazz nooit echt omarmde, maar de prikkelende vrijheid en abundante expressie van deze opnames is na meer dan vier decennia nog altijd opmerkelijk en moet, meer nog dan het eerste volume in de reeks, gehoord worden. Niet enkel door de fans, maar door eender wie het genre een warm hart toedraagt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × drie =