Peter Buck :: Peter Buck

”Wat nu?” was de grote vraag nadat R.E.M. in september vorig jaar besloot dat het genoeg geweest was. Het duurde niet lang voor frontman Michael Stipe aankondigde dat van hem geen soloplaat verwacht moest worden. Gitarist Peter Buck waagt de sprong in het diepe wél, zij het enigszins schuchter.

Binnen R.E.M. waren altijd twee kampen aanwezig, dat lieten de bandleden zelf als eens vallen in interviews. Voor Peter Buck en voormalige drummer Bill Berry mochten de zaken vooruitgaan. Niet te lang stilstaan bij opnames en songs, doorwerken en uitbrengen. Mike Mills en Michael Stipe stonden aan de andere kant van het spectrum. Als zij hun zin hadden gekregen, was de band vermoedelijk nog steeds Murmur aan het afmixen, zo wil de legende.

Met het wegvallen van Berry in 1997 werd het natuurlijke evenwicht binnen de band verstoord, met een collectie wisselvallige platen als gevolg. Nu Buck het rijk voor zichzelf alleen heeft, is er niemand, ook de hier meespelende Mike Mills niet, die hem kan tegenhouden om snel te werk te gaan. Vier dagen, afgelopen mei, meer had Buck dan ook niet nodig om zijn titelloze debuutplaat in te blikken.

Misschien had de gitarist echter toch beter wat meer tijd uitgetrokken voor zijn debuut: Peter Buck klinkt immers als een allegaartje dat niet onmiddellijk als grote kunst gecatalogeerd kan worden.
Al was dat vermoedelijk ook niet de bedoeling van de man. Afgaand op dit album, gaat het Buck, weldra 56, louter om het doen van zijn eigen zin. Peter Buck verschijnt dan ook zonder promotiecircus, bij het piepkleine Mississippi Records en enkel op vinyl, zonder downloadcode of wat dan ook.

Dit is dan ook géén R.E.M.-plaat, laat dat duidelijk zijn. Buck tast vrijelijk muzikale grenzen af, botst daarbij zo nu en dan tegen een muur, haalt de schouders op en zoekt zijn geluk in een andere richting. Het materiaal op Peter Buck is best rudimentair, zeer divers en wisselend van kwaliteit. Bijgestaan door oude getrouwen zoals Scott McCaughey, Jacknife Lee en Mike Mills gaat het van primitieve rockabilly (“Give Me Back My Wig”) naar introspectie in het naar front porch-country neigende “Nowhere No Way”.

Corin Tucker van Sleater-Kinney laat zich in “Nothing Means Nothing” opmerken als rechthouder van wat in wezen een zeer middelmatig nummer is. Van “10 Million BC” is nog altijd niet duidelijk of het een bizarre grap is dan wel een fantastische hommage aan The Cramps en wat de bedoeling van het niemendalletje “Migraine” is, mag Joost weten.
Helemaal anders is het gesteld met “Some Kind Of Velvet Sunday Morning” dat, hoewel het overduidelijk de mosterd gehaald heeft bij de bijna gelijknamige songs van The Velvet Underground en Nancy Sinatra & Lee Hazlewood, uitermate lieflijk in het gehoor ligt.

Het grote verrassingselement in deze plaat is echter de stem van Peter Buck, die in ruim dertig jaar R.E.M. slechts heel zelden te horen viel. Ook hier laat Buck de microfoon grotendeels aan anderen over, maar wanneer hij het er toch écht op waagt, zoals in het aan een bluesy Mark Lanegan-gelieerde “Hard Old World”, ben je geneigd de man het voordeel van de twijfel te geven. Al blijft het natuurlijk jammer dat de hier aanwezige Mike Mills zijn gouden vocalen amper kan laten horen.

Hoewel Peter Buck een wisselvallig album is, is het tegelijk een plaat die zelden tot nooit verveelt. Daarvoor is het samenraapsel songs van Buck net iets te fascinerend van karakter. Peter Buck valt zodoende nog het beste te omschrijven als een weirde mixtape, eentje die je niet aan het meisje van je dromen zou schenken, maar waarvoor enkele rare cafévrienden je heel dankbaar zouden zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × vier =