Swans :: The Seer

Het werk van Swans werd altijd al, zelfs tijdens momenten waarin het moeilijk was om voorbij de misantropische donderpreken te kijken, doordrongen van dualiteit en ongemakkelijke spanningsvelden tussen begrippen en concepten die, tot de tanden gewapend, diametraal tegenover elkaar stonden. De voorzichtige verzoening der uitersten die al indrukwekkend gestalte kreeg op reüniealbum My Father Will Guide Me up a Rope to the Sky krijgt nu z’n overtreffende trap op The Seer, dat zowel een samenvatting als een culminatiepunt is: tegelijkertijd grootser, moeilijker en mooier dan wat ze ooit maakten.

“Sometimes we have the absolute certainty there’s something inside us that’s so hideous and monstrous that if we ever search it out we won’t be able to stand looking at it. But it’s when we’re willing to come face to face with that demon that we face the angel.” – Hubert Selby Jr., Last Exit To Brooklyn.

De oude Swans, dat was een en al nihilistische rioolhaat, muzikale geweldporno die vaak een hommage leek aan het werk van Bataille, de verdorvenheid van Dennis Coopers romans en labyrintische grootstadcomplexiteit, verpakt in meedogenloos razende composities en albums die de luisteraar bedekten in een gesproei van zure oprispingen. Geleidelijk liet leider Michael Gira, en dan vooral onder invloed van extra groepslid Jarboe, meer licht toe in de muziek van de band, maar bij de ontbinding in 1997 ging het gezelschap nog altijd ten onder met een legendarische reputatie voor afstotend kabaal en confronterende materie. God, het vlees, liefde en de dood, macht en onmacht, dat waren de thema’s. Die zijn nu allemaal nog van de partij, maar verpakt in muziek die misschien wel heeft ingeboet aan agressie, maar nog steeds overrompelend is in z’n ambitieuze poging om lelijkheid en schoonheid, aantrekking en afstoting te verenigen.

Swans maakte de voorbije jaren indruk met een verschuiving die zich bv. ook voordeed in het werk van Neurosis — die van compromisloze herrie naar een al even overtuigend, maar meer genuanceerd en compleet exorcisme — en daardoor terechtkomt in een wereld waarin zonder omwegen wordt gemikt op majestueuze statements die het conventionele overstijgen. Het gaat dus niet meer zozeer over volume, snelheid of agressie, maar om impact. Luisteren naar het twee uur durende The Seer is dan ook een opdracht waar tijd voor uitgetrokken moet worden. We dachten het ook even ertussen te nemen. Fout. Het werd luisteren, herbeluisteren, schrappen, weggooien zelfs, en opnieuw beginnen. The Seer is als een nieuwe muze; een zichzelf versmachtende obsessie die alle aandacht afdwingt.

Voor een groot stuk is de hoogdravendheid en het gevoel hier te maken te hebben met de muzikale tegenhanger van grandioze breedbeeldcinema het gevolg van de bijzondere bezetting. Het is het sextet van de vorige plaat, maar dan nog uitgebreid met nieuwe vaste man/toetsenist Bill Rieflin en dan nog een hele resem gasten, gaande van Mimi Parker en Alan Sparhawk van Low, Karen O (Yeah Yeah Yeahs), Grasshopper (Mercury Rev), Bruce Lamont (Yakuza, Bloodiest) en zelfs Jarboe (achtergrondzang op twee songs), tot een lijstje anderen uit de meest diverse werelden. Meer nog dan al die individuele ingangswegen zijn het de elf songs — of beter: de manier waarop de meesten ervan die term ondermijnen –, die centraal staan in de beleving van The Seer. Van songs of composities kan je immers moeilijk spreken. Zoals Gira zelf aanhaalt, zijn dit vaak “frames in a reel”, onderdelen van een geheel die enkel kunnen functioneren binnen dat totaalwerk.

Geen gedoe met strofes, refreinen en bruggetjes dus, maar hamerend gebeuk, wrange schizofrenie en atonale hysterie, net als hypnotiserende folk, oerritmes en gouden grandeur. Heeft het soms de traag ontvouwende en massieve climaxwerking van Godspeed You! Black Emperor, dan sluit het op andere momenten aan bij de latere Neurosis, maar ook het experimentele, groteske werk van Oxbow (met Rova e.a.), de monumentale gitaarsymfonieën van Glenn Branca en de spanningsbouw van een Rhys Chatham. Daarop krijg je dan nog eens die wereld van eindeloze sonische details, van hoofd- en bijgeluiden waar je vijf pagina’s mee kan vollullen, en van koren, veel koren, die mystiek oproepen en onheilspellende voorspellingen maken.

Een halve minuut ver in opener “Lunacy” en je weet dat het groots gaat worden, met massieve percussie, ritualistische sfeer en onheilspellende gezangen die zo weggeplukt zijn uit Polanski’s Rosemary’s Baby en Kubricks Eyes Wide Shut, gehuld in een waas van mystiek, magie en waanzin. “Lunacy / Lunacy / Lunacy”, gevolgd door de mededeling “Your childhood is over”, die hier de gedaante van een levenslange veroordeling aanneemt. De intensiteit neemt enkel toe met “Mother Of The World”, de eerste van een handvol hoogtepunten. Hardnekkige galeienritmes en ritmische ademhaling gaan hand in hand met snijdende gitaarpartijen, falsettozang, logge bas en orgelgolven die nog een tandje bijsteken. Dan een kentering naar een bezwerende voodoogroove die uitmondt in een atmosferische betovering. Amper samenhang of structuur, maar toch voorzien van een urgentie die de onvoorbereide luisteraar bedremmeld achterlaat.

“The Wolf” lijkt het geheel even richting geërodeerde rootsmuziek te trekken, maar dat is een korte schijnbeweging, want het titelnummer zorgt met z’n tweeëndertig minuten voor een album binnen het album. Het is een suite die vertrekt vanuit kakofonische warboel, een combinatie van een helse taptoe en een getoonzette Bosch, maar verkent dan een even voorspelbaar als uitdagend parcours via opzwepende ritmes en slogans (die “I see it all / I see it all / I see it all” is een mantra dat tijdens de concerten voor momenten van uitzinnige extase gaat zorgen) die moderne klassiek, noise en Morricone verenigt. Het is het moment waarop de luisteraars in twee kampen zullen uiteenvallen: zij die het opgeven en zij die besluiten om de rit uit te zitten. Al een geluk dat vervolgstuk “The Seer Returns” het even wat gemakkelijker maakt, met een uitgebeend en slenterend, hiphopachtig ritme, met daarop een monoloog van Gira. Het is een moment van bijna schokkende luchtigheid in het Swans-oeuvre.

En dan weer die heimelijke smeerlapperij, want “93 Ave. Blues” zorgt voor het meest confronterende stuk muziek van de plaat, een kreunend en piepend en jankende klankenorgie die vrije improvisatie en pure noise samenbrengt in een kokende pap van mensonterende bedoelingen. Als de eerste cd afsluit met een “The Daughter Brings The Water”, dat eerder aansluit bij Gira’s werk met Angels Of Light, dan is “Song of A Warrior”, het eerste nummer op cd 2, met zangpartijen van Karen O., ook al zo’n opmerkelijk rustpunt. Mooi, kaal en breekbaar, maar ook weer snel van tafel geveegd door het door klokkengeluid voortgedreven “Avatar”, dat misschien de meest rechtlijnige song op The Seer is. De eeuwige slingerbeweging.

Wie daar geraakt is, wordt vervolgens nog eens op een extra album getrakteerd, want het slotduo “A Piece Of The Sky” / “The Apostate” is goed voor meer dan veertig minuten. Belichaamt het eerste deel de schizofrenie van Swans met een eindeloos variërende eerste helft vol meditatieve neigingen dat overgaat in een directere tweede helft die belandt bij een gemutileerde zattemanssong van Gira (tot je eens naar die tekst gaat luisteren), dan is afsluiter “’The Apostate” de gepaste apotheose, een kolossaal en theatraal brallend stuk waar alles in verenigd wordt: de paukenslagen en de EBowgitaren, de rammelende percussie, de explosiviteit, de drammende ritmes, het volume, de complexiteit en de gelaagdheid. Het is Swans op z’n hardst en vuilst. Aan het einde kan er zelfs gedanst worden. Op een graf.

The Seer is niet volmaakt. De marathons komen er vooral omdat de band zich alles durfde permitteren en niet omdat het per sé nodig was om het allemaal er in te steken. Een paar kortere tracks zijn bovendien niet veel meer dan tussenstukken, zeker als je ze eens uit hun context haalt, maar een plaat die af is, mag Swans dan ook niet maken. Er wordt geteerd op dat onevenwicht. The Seer is een waanzinnig ambitieuze en moedige plaat, even schoon als lelijk, vertrekkend vanuit menselijke onvolmaaktheid en mikkend op goddelijke almacht. Het is net die hunkering naar het overstijgen van het alledaagse én het tastbaar maken van het almachtige dat van dit album zo’n belevenis maakt. The Seer is meeslepend, grandioos, gekmakend én een confrontatie met de gebreken van de menselijkheid in een psychisch woestijnlandschap. En dat zorgt er dan weer voor dat er zich een wereld opent die volstrekt uniek is binnen de rockmuziek. Nu al een sleutelplaat voor Swans. En 2012.

Swans speelt op 1 of 2 december op Sonic City Festival (Kortrijk).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 5 =