The Dustaphonics :: Party Girl

The Bellrays de enige garagegroep met een zwarte zangeres? Niet als het van het Londense The Dustaphonics afhangt. De groep van Billy Childish’ naaste collega Bruce Brand zag nog maar in 2010 met single “Burlesque Queen” het levenslicht, maar is met een evenwichtige mix van rock, surf en jazz nu al klaar om een eigen plaatsje in het rock-‘n-roll-wereldje op te eisen.

Het is niet de eerste keer dat de combinatie van rauwe gitaren en een zwarte, soulvolle stem een onvervalst succes blijkt in het garagewereldje. Terwijl The Bellrays het manvolk nog liet zweten met een erg vurige Lisa Kekaula, was The Dirtbombs er om het publiek aan het dansen te krijgen op ritmische gitaren. Het is dus logisch dat er vroeg of laat nog eens een nieuwe band met een soortgelijk recept zou uitpakken. Indien een dergelijke groep er bovendien nog eens in slaagt om extra gewicht in de schaal te gooien, is het helemaal gerechtvaardigd dat hij naar eeuwige roem meedingt.

Dat The Dustaphonics perfect in staat is om dat verschil te maken, is een gevoel dat je met “Burlesque Queen” meteen bekruipt, want in het liedje beschrijft zangeres Aina Dusta de sensuele bewegingen van een stripteaseuse terwijl een zwoele saxofoon en een zware bas het beeld van een rokerig café creëren. Met het onheilspellende “Catwoman’s Strut” lijkt de groep er vervolgens op uit een soundtrack bij een noir film te creëren. Om een dergelijk cinematografisch sfeertje te creëren flirt het viertal erg veel met blues en jazz.

Een ander genre waarmee het combo naar het witte doek knipoogt, is het surfgenre. Hiervan is “Eat My Dust-A-Phonic” een mooi voorbeeld, want meer nog dan aan Dick Dale doet het nummer met de razende racemachines op de achtergrond aan Davie Allan & The Arrows denken, een surfrocker uit de jaren zestig met heel wat soundtracks voor tiener- en bikerfilms op het palmares. Met het flamboyante “Showman Twang Tiki Gods” slaagt The Dustaphonics er zelfs in om dat surfkantje met behulp van een partij hartelijke blazers een Mexicaans tintje mee te geven, waardoor de groep op de koop toe een beetje aan Calexico doet denken, en een stoffige western dus nooit ver weg lijkt.

Dat Party Girl bovendien een hoog livegehalte heeft, maakt er een nog betere plaat van. Met “Burlesque Queen” lijkt het natuurlijk al alsof er een ebbenhouten schoonheid zich vlak voor je gezicht van haar kleren ontdoet, maar met de bluesachtige riffs van “Dearest Darling” klinkt The Dustaphonics zelfs een beetje als een vrouwelijke versie van rock-‘n-roll-legende Bo Diddley. Dat het finale nummer “Take It From Diddley” heet, bevestigt dat het wel degelijk de bedoeling was hem eer te betuigen.

Overtuigen doet het eerste full album van The Dustaphonics bijgevolg wel. Hoewel The Dustaphonics links en rechts weliswaar steelt als de raven, slaagt de groep er met flair in een hoop invloeden in een evidente, maar nergens geforceerde cocktail te gooien. Daarin proef je tegelijkertijd Ennio Morricone, Link Wray en Marvin Gaye, maar wrang smaakt het nooit. Het smaakt integendeel naar meer en als het u bovendien nog eens door een mooie negerin wordt opgediend gaat u niet klagen, toch?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 13 =