LES ARDENTES 2012 :: En dan is er Morrissey

Raar festival, dat Les Ardentes. Combineert de gezelligheid van een Cactuswei resoluut met zijn onmiddellijke tegenhanger; een ongezellige vliegtuighangar, en heeft meestal een affiche die de hits en de misses mooi in evenwicht houdt. Vandaag is het er echter eens boenk op met een trits headliners om u tegen te zeggen. Toch is het voor sommige bands vechten tegen de omstandigheden.

Ok, er zal ergens diep in Alabama wel een bar zijn waar het nog minder aangenamer optreden is — u kent het wel: kippengaas voor het podium, biergooiend publiek –, maar de galmbak waarin Shearwater mocht aantreden was evengoed de naam “degelijk podium” onwaardig. En dan kan de groep nog wel wat echo verdragen. Manmoedig gaan Jonathan Meiburg en de zijnen het gevecht met de omstandigheden aan, maar het blijft sukkelen.

Er wordt dus gekozen voor het meest stevige werk, dat hoofdzakelijk wordt geput uit het alweer puike Animal Joy. Halve titeltrack “Animal Life”, bijvoorbeeld, of het galopperende “You As You Were”. Het is worstelen met het geluid en een publiek dat voor het eerst met de groep in aanraking komt, maar het is ook luctor et emergo: bovenkomen, desondanks. Zelfs een trager “Insolence” houdt hier dwingend de aandacht vast. Hoogtepunt wordt uiteindelijk een donderend “Breaking The Yearlings” dat met de woestheid van jonge veulens het laatste restje onverschilligheid bij elkaar veegt. Groepje naar ons hart, dit Shearwater.

Een stevige stortbui houdt ons vervolgens in de Galmbak, zodat we noodgedwongen ook het volgende optreden moeten meepikken. Ernstig nu, is er nog niemand geweest die Soko heeft verteld dat de grap van “I Kill Her” is uitgewerkt? En dat een tweede plaat compleet ongevraagd was? Live wordt het een beschamend rommeltje. Niet alleen qua geluid, overigens: de chanteuze prevelt/neuzelt maar wat weg, haar band knoeit er wat op los met onaangename feedback als extra stoorzender. Neen, zelfs de hulp van Warpaint op backing vocals en drums kan geen sikkepit helpen. Wij zijn uitgelachen.

En nog zoiets dat we niet begrijpen: twee jaar geleden spraken we met Edward Sharpe & The Magnetic Zeros op Pukkelpop, en hoorden we in hun plaatje niet meer dan net-aangename hippiepop. Groot is onze verbazing dan ook als de wei aan Le Main Stage (hier heet dat in mooi franglais “Open Air”) aardig vol staat, en “Home” als een hitje wordt onthaald. Wij horen nog altijd niets meer dan hoempafolk van de banaalste soort. Sorry, jongens, peace love en al met jullie, maar liefst niet in onze buurt.

Waarna Warpaint op zijn beurt het gevecht met de Galmbak (née Het HF6-podium, voor zij die dat wilden weten) aanmogen. Ook zij vinden er niets anders op dan maar op power te gaan spelen, en dat draait niet elk nummer even goed uit. Ok; een sterke song als “Undertow” verliest niets aan kracht daardoor, maar door het aspect “atmosfeer” helemaal te vergeten, mist de groep ook een deel van wat normaal een sterkte is: die eeuwige dreiging. Wat overblijft zijn mooie kristalheldere Curegitaren. Enkele onbekende nieuwe nummers passeren — dat mocht ook wel na twee jaar touren op één plaat — maar laten geen onuitwisbare indruk na. Mooi wel hoe frontvrouw Emily Kokal in een solo gebracht “Baby” nog een flard “Because The Night” binnensmokkelt, maar dan is het gedaan. Straks is het tijd voor the real thing. Wij loggen uit. Wat Patti Smith, White Lies en Morrissey ervan zullen bakken, dat leest u hier later.

En die heeft wat moeite om onder stoom te geraken. Begrijpelijk: De Galmbak is ondertussen van naam veranderd naar De Sauna, en net als wij moet Patti Smith naar adem happen in de drukkende atmosfeer. “Dancing Barefoot” is dus een eerder aarzelende binnenkomer, net als een aan Morrissey opgedragen “Redondo Beach” (de man pleegt het al eens zelf te spelen). Met een lange mooie intro van Lenny Kaye bloeit “Free Money” vervolgens open tot de smachtende wensdroom die het altijd al was, en zijn we vertrokken.

Smith blijft de genereuze oma die ze al jaren is; vindt ook dit festival geweldig, en lijkt zich op het podium uitstekend te amuseren. Ze put even uit haar nieuwe album Banga, en net als op plaat laat zoon Jackson tijdens die titeltrack zijn beste geblaf horen. Het is een welkom explosief nummer in deze hete setting, die af en toe toch nog wat lijdt onder de temperatuur. “Because The Night” levert nog een meezingmoment op, net als “Gloria”, waarin de band even helemaal loos mag gaan. En dan is het alweer gedaan. Een uurtje Patti Smith is eigenlijk te kort, want ondanks de hitte was dit toch klasse.

Een volksverhuizing begint richting Open Air, waar White Lies staat te bewijzen dat zijn houdbaarheidsdatum langzamerhand in zicht komt. Nog steeds teert de groep op hetzelfde handjevol hitjes van hun eerste plaat, en er is ook nog geen spatje charisma bijgekomen. Als een stel ongeïnteresseerde zoutpilaren levert de band routineus hun doemgeladen postpunk af. Frontman Harry McVeigh bestaat het vervolgens “Death” op te dragen aan de Belgen, “want het is hier toch altijd zo fijn”. Onbedoelde humor is vanzelfsprekend altijd de beste. Ruim op tijd houdt de band het voor bekeken met een meeslepend — soms kunnen ze het wel — “The Power & The Glory”, en een suf — meestal lukt het helaas niet — “Bigger Than Us”. Voor ons is het qua White Lies nu wel welletjes geweest; de groep moet dringend uit een ander vaatje gaan tappen.

En dan is er eindelijk Morrissey. De regen had zich enkele uren koest gehouden, maar synchroon met het starten van de heerlijk dramatisch drammerige openingssequentie opent de hemel de set met een fikse stortbui. Timing is uiteraard alles. Met een treiterig “I dare you to be yourself” groet Morrissey zijn publiek, dat uiteindelijk ook alleen maar voor hem naar Luik is afgezakt die dag. Het blijkt alleszins onbegonnen werk om de T-shirts met een Smithslogo op één hand te tellen.

Mozzer (er werden wel meer ongeïnspireerde zaken naar zijn hoofd geslingerd, maar “come on, mozzer!” horen we nu eenmaal het meest) start straf en strak met een Smiths-klassieker. “Shoplifters Of The World Unite” verdrijft het gure weer niet onmiddellijk, maar zet wel de toon voor het verdere verloop. Morrissey speelt een beetje met reserve, lijkt wat verveeld met het festivalpubliek (“Enjoying the festival? What did you do? Nothing?”) en houdt zoals steeds halsstarrig vast aan zijn setlist. Dat hij steevast speelt wat hijzelf graag zou horen tot daar aan toe, maar een obscure Frankie Valli-cover en een zoutloze uitvoering van “Ouija Board, Ouija Board” winnen duidelijk geen zieltjes in het Luikse. Jammer ook van de rammelversie die afsluiter “Still Ill” te beurt valt, waardoor de potentiële splinterbom een rotje blijkt.

Wij onthouden wel de regenverdrijvende samenzang tijdens “Everyday Is Like Sunday”, de nooit helende mokerslag genaamd “How Soon Is Now?” en de ingetogen verslagenheid tijdens het intens mooie “I Know It’s Over”. Dat het toch voornamelijk Smiths-nummers zijn die voor de vonk zorgen is misschien wat onrustwekkend voor die vermaledijde solocarrière, maar zeker niet in die mate dat journalisten zich daar zorgen over hoeven te maken.

Deze doortocht op alweer een Belgisch festival was alleszins sterker dan de vorige, er werd op voorhand minder lucht verkocht door pers en publiek (een prima uitvoering van “Meat Is Murder” deze keer leek voldoende) en in Luik debuteerde drummer Eric Lewis Gardner, die transfervrij overkwam van Gnarls Barkley. Dat Boz Boorer (spitsvondig aangekondigd als “Gaina Tension”) zich in de schminkkamer had laten omtoveren tot een vunzig rockende oma op speed, gaf het hele concert ook nog eens een surrealistisch monkelend tintje.

Morrissey droeg verder drie hemden, waarvan er één in het publiek belandde. Dat het kleinood prompt werd teruggegooid, geeft toch aan dat de tijden ietwat veranderd zijn. De kuif mag dan al wat gezakt en grijzer zijn, maar Morrissey weet nog steeds te boeien.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 + 13 =