LES ARDENTES 2010 :: zaterdag 10 juli

Een dag pauze en een busrit from hell later, zijn we klaar voor Les Ardentes dag drie. Op het programma: baardige heren, blote bovenlijven, artiesten die zowat rechtstreeks uit het ziekenhuis kwamen en zweet, véél zweet.

De folkies van Tunng staan een beetje verloren in de gigantische hangar die HF6 is, maar dat lijkt hen niet te deren: de band is vandaag in supervorm, amuseert zich te pletter en straalt dat ook uit. Zaten het geluid en de samenzang tijdens zijn passage op Les Nuits Botanique niet altijd even goed, dan is daar vandaag niets meer van te merken: een broeierig “Tale From Black” en het van vrolijke elektronica voorziene “Woodcat” tonen dat dit een hechte band is, die op elkaar ingespeeld is en die er ook echt zín in heeft.

“Il fait très chaud ici à Liège”, weet frontvrouw Becky Jacobs te melden, en dat is nog een understatement. De met baarden en lange lokken getooide mannelijke bandleden krijgen het zweet nog amper weggewist, maar in een onvervaarde poging om te tonen dat zoiets hen niet zal tegenhouden, gooien ze er meteen hun meest energievretende nummer tegenaan. “And By Dusk They Were In The City” is met zijn elektrische gitaar en twee melodica’s een mysterieuze en lichtjes dansbare instrumental waarop het goed mee voettikken en hoofdknikken is (meer inspanning zou op dit moment te veel zijn), met het soort foute gitaarsolo dat het in deze festivalsetting bijzonder goed doet.

Weg met de lievigheid dus, en daar is volgens zanger-gitarist Mike Lindsay een goeie reden voor: “J’adore la musique of Motley Crüe”. Al is daar in het schattig huppelende “Hustle” niet zoveel meer van te merken: het nummer slaagt er met moeite in Adam Green te overstemmen die in de naburige Aquariumzaal het beste van zichzelf staat te geven. Een stampend, gloedvol “Bullets” mag de set afsluiten, en levert een in deze hitte haast onverantwoord enthousiast applaus op. Niet meer dan terecht, al was het maar voor het bewonderenswaardige uithoudings- en aanpassingsvermogen van de groep.

We gaan dan maar meteen even kijken wat die Adam Green precies aan het uitvreten is. Niets nieuws onder de zon daar in het Aquarium (dat zijn naam niet gestolen heeft, getuige de hoge vochtigheidsgraad), met een Green die zelden de juiste noten weet te raken en qua uitstraling wat wegheeft van Big Bang Theory’s Howard Wolowitz. U trekt zich daar en masse geen fluit van aan: Green (die vaker voor dan óp het podium staat) wordt letterlijk op handen gedragen tijdens zijn uitstapjes in het publiek, al is een halfblote, glibberige Adam Green voor sommigen toch net iets te onsmakelijk. Meer publieksspelletjes tijdens afsluiter “Jessica”, waarbij Green met zijn microfoon de voorste rijen intrekt, om vervolgens zo veel mogelijk regels aan enkele schreeuwende fans over te laten. Tien minuten voor tijd houdt Green het alweer voor bekeken, en ook wij hebben na het trommelvliesverpulverende geluid tijdens “Dance With Me” (had de geluidsman misschien een zonneslag?) nood aan wat rust en zachtheid.

Geen beter duo dan broer en zus Angus And Julia Stone om daar voor te zorgen. Tijdens de opvallend korte set van de Australische bloemenkinderen neemt Julia — gehuld in een enkellange jurk en met een bloem in het haar, waardoor ze helemaal het kleine zusje van Melanie lijkt — duidelijk het voortouw. Ze spreekt het publiek toe met haar kinderlijk charmante stemgeluid, en zorgt in haar eentje voor het grootste “Que?”-moment van de dag. Daarvoor heeft ze niet veel meer nodig dan haar akoestische gitaar en “a song from a musical”. De musical in kwestie heet Grease, en Julia brengt een aarzelend, ingetogen “You’re The One That I Want”. Niet meteen een versie waarop uw tantes en nonkels zouden gaan rock-‘n-rollen, maar op een bevreemdende manier wel mooi.

Het meisje ziet er ook niet uit alsof ze weet wat te doen met een elektrische gitaar, maar bewijst schattig glunderend in het door Angus gezongen “Yellow Brick Road” dat ze meer kan dan wat akoestisch kampvuurgitaar spelen. Het brengt ook enige vaart in de set, want hoe mooi nummers als “And The Boys” (waarbij haar krakende zang de nodige verschrikte hilariteit uitlokt in het publiek) of “Big Jet Plane” ook zijn, het blijft compleet onschadelijke muziek die gerust wat peper zou kunnen gebruiken. Toch is de lieve samenzang en het gedempte trompetspel in “Mango Tree” wondermooi, en ook de Dylaneske mondharmonica in “Just A Boy” weet te bekoren. Een ernstig gebrek aan ballen, dat valt niet te ontkennen, maar op een zomernamiddag als deze gedijt dit soort woozy folk wonderwel.

Van de brandende zon keren we terug naar het duistere Aquarium, alwaar Yacht zich opmaakt om voor het (door velen jammerlijk gemiste) feestje van de dag te zorgen. De hyperkinetische frontman Jona Bechtolt maakte ooit nog deel uit van electropopproject The Blow, maar concentreert zich nu samen met Claire L. Evans op het meer funky Yacht. Alles is in het werk gesteld om een echte show te brengen: Bechtolt en de heren achter de bas en het drumstel zijn uitgedost in strakke pakken (Bechtolt in het wit, de andere twee zwart), de androgyne Annie Lennoxachtige Evans rekt zich nog eens uit in haar aerobicoutfit, en de projecties spuien boodschappen als “Yacht is not a cult”.

Wat volgt, zijn dansjes die doen denken aan wat The Confetti’s tijdens “The Sound Of C” deden (en dat is positief bedoeld!), met op de achtergrond de stotterende disco van opener “Ring The Bell” (met instant meezingbaar refrein: “Will we go to heaven / Or will we go to hell? / It’s my understanding / That neither are real”). De spastische moves van Bechtolt zijn helemaal niet meer bij te houden tijdens de funky electro van “It’s Boring / You Can Live Anywhere You Want”. Evans declameert als was ze Anne Clark, de bas draait overuren en de heftige gitaarpartij werkt danig in op heupen en benen. Stilstaan is onmogelijk, en aangezien we toch al allemaal stinken, kan dat extra zweet er nog wel bij.

Tekstueel heeft het viertal een ietwat ongezonde fascinatie voor de dood en het hiernamaals, wat mag blijken uit nummers als “The Afterlife” en “B-Side Suicide”, dat met zijn “Blow your brains out / Do the Kurt Cobain” van een wel erg fout refrein voorzien is. Catchy synths, dat dan weer wel. Want hoe duister de teksten ook mogen zijn, het blijft allemaal uiterst dansbaar. Met de poppy afsluiter “Psychic City (Voodoo City)” krijgen we bovendien het onnozelste meezingmoment van de dag. “Ayayayay / Huh! / Ayayayay / Uh-oh!”: u brult het vol passie mee, en toegegeven, wij ook. Wat een feest.

Van het feest van de dag naar de (op zijn minst halve) teleurstelling van de dag: het altijd onzekere Babyshambles. Frontman Pete Doherty werd enkele dagen tevoren nog opgenomen in het ziekenhuis, maar daar was op het podium van Les Ardentes niet zo veel van te merken: Doherty zag er vrij gezond uit in zijn maffioso-outfit (zwart pak, wit hemd, rieten hoedje en stevige ketting om de hals), ondanks de wat dwaze blikken die hij aanvankelijk het publiek in werpt. Dat publiek blijkt ook bijzonder religieus aangelegd: Doherty is voor hen nog steeds een halfgod, ook al is Babyshambles in de verste verte niet te vergelijken met de ondertussen haast mythische Libertines.

Maar we zijn hier niet om de vergelijking met opgedoekte bands te maken. Wat telt, is wat zich hier vanavond afspeelt. En dat is aanvankelijk niet veel: “Delivery” is een gedroomde opener, maar Doherty’s karakteristieke stem verdwijnt wat in het bandgeluid, dat nog het best als “rommelig” geklasseerd kan worden, met nummers die net iets te vaak onderling inwisselbaar lijken. Om de aandacht daarvan af te leiden, heeft Babyshambles vandaag twee danseressen meegebracht, die gehuld in zwarte petticoats en Union Jacktopjes het beste van zichzelf (en dat is ook al niet veel) mogen geven, onderwijl zwaaiend met de Britse vlag. Ze treden een eerste keer aan tijdens “There She Goes”, maar kunnen niet verhullen dat Doherty nogal gebrekkig gitaar staat te spelen, en dat de drummer af en toe in een geheel ander nummer lijkt te zitten. Bij hun volgende passages (onder andere een volslagen overbodige interventie tijdens Libertinesklassieker “What Katie Did”) hopen we eigenlijk vooral dat ze gauw van het podium zullen stuiken.

Het The Jam-achtige “Baddies Boogie” is een eerste lichtpuntje in de set: Doherty lijkt wat meer vat te krijgen op stem en gitaar, en ook de rest van de band zit steeds meer op één lijn. Meteen daarna wordt “Albion” bovengehaald, en dat is net als het later gespeelde “Killamangiro” niet kapot te krijgen: het is even vals en rommelig als de rest, maar het heeft die magie, die twinkel die tijdens dit optreden te vaak ontbreekt. En wie komt daar tijdens dat laatste nummer plots naar voren gecrowdsurft? Jawel, de nog steeds erg glibberige Adam Green, die foto’s van de band komt nemen en een verbouwereerde Doherty vol op de mond zoent. “Adam Green, the low rider”, noemt Doherty hem later tijdens een bedankingsrondje.

Naar goede gewoonte eindigt Babyshambles met “Fuck Forever”: was “Albion” al een nummer dat weer en wind kan doorstaan, dan gaat dat helemaal op voor deze indiehymne. De band kiest voor een gruizige, feedbackende versie, maar zo hebben we het graag. Om af te sluiten, knalt Doherty zijn microfoon het publiek in om onder gepiep en gekraak het podium te verlaten. We hadden geen gepaster einde voor dit rommelige optreden kunnen bedenken.

En daarmee zit Les Ardentes erop voor ons. Net op tijd, zo blijkt: van op Facebook en Twitter bereiken ons nog berichten over elektriciteitspannes, onvoldoende water- en andere drankvoorzieningen en algemene informatiechaos, maar daar was tijdens ons bezoek weinig van te merken. Toegegeven, het meest sfeervolle festival zal Les Ardentes nooit worden (tenzij u fan bent van zand, stenen en vliegtuighangars), maar met een line-up als deze mogen de Drie Groten stilaan oppassen voor de Luikse concurrentie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − 15 =