Coeur de Pirate :: Blonde

Grosse Boîte, 2011
Universal

Piraten, zijn dat niet zo van die lange, smalle
kerels, met een gebit dat een merkwaardige superpositie vormt van
gouden en rotte tanden, aangevuld met hier en daar een zwarte
leegte, gewaad in een nogal particuliere kledingdracht, lang vet
haar, verplicht één oog armer dan de gemiddelde mens, en het zwaard
en alcohol machtig als ware de eerste een lichaamsdeel, en de
tweede de inhoud van hun aders.

Zoniet deze Coeur de Pirate, oftenog de bevallige
jonge Canadese, met tattoos gedecoreerde en een ietwat kinky imago
uitstralende, Béatrice Martin. Ze mag dan best een behoorlijk wat
cojones lijken te bezitten, haar aan de Franse chansons
schatplichtige liederen zijn zeemzoeter dan een pot Luikse
Stroop.

Na een ietwat overbodige a capella introductie, die
je steevast met een gevoel van “jaja, het is al goed, begin nu
maar” opscheept, begint het album erg aardig met de single ‘Adieu’.
Het ritme zit erin, de schwung ook, het poppy
arrangement is mooi uitgekiend en gebalanceerd en zorgt ervoor dat
je je geen seconde verveelt, en het jonge, ietwat hese en zwoele
timbre van Béatrices stem zorgt ervoor dat je al verdomd
je best moet doen om stil te blijven zitten.

Opvolger ‘Danse et Danse’ bevindt zich grotendeels
in hetzelfde straatje, en bouwt de verwachtingen voor het vervolg
van het album hoger op. Maar aangezien u al lang de score voor dit
album bovenaan deze recensie heeft zien prijken, heeft u ook al
even lang begrepen dat er spijtig genoeg een lelijke
plottwist om de hoek loert. ‘Golden Baby’ bevat nog een
paar van de karakteristieken die zijn twee voorgangers zo leuk
maakten, maar toch al in aardig mindere dosis. Er zit nog wel een
beetje schwung in, het klinkt nog wel aardig, maar de
punch is er toch al grotendeels uit.

Dan belanden we bij ‘Ava’, en hier begint het pas
echt mis te lopen. Het tempo wordt aardig naar beneden gehaald, het
begeleidende arrangement is bijlange niet zo interessant meer,
zelfs een tikkeltje tè repetitief en futloos, en hoewel onze piraat
van tijd tot tijd best wel een aardige vers uit haar pen gevloeid
krijgt, zijn haar teksten noch haar stem van het kaliber dat ze een
heel album op zichzelf kunnen dragen. De neerwaartse spiraal wordt
verdergezet met ‘Loin d’ici’, een nummer waar Dame Martin een
couplet dialoog aangaat met een invité. In contrast met de
twee eerste (volwaardige) nummers, klinkt dit nummer simpelweg
oérvervelend saai, en het enthousiasme waar het album je
oorspronkelijk mee opzadelt, transformeert zich stilaan in de
vraagstelling hoe lang je die gezapigheid nog moet volhouden.

Gelukkig wordt het weer iets beter vanaf ‘Les
amours dévoués’. De energie van de openers komt nooit meer terug,
maar op zich moet dat ook niet per se, als de muziek maar blijft
boeien en raken. Wat dat betreft, mag gesteld worden dat ‘Place de
la République’ en ‘Cap Diamant’ twee rustige nummers zijn waarin
Martin wél bewijst dat ze het kan. Boeien met rustige, ingetogen
nummers, that is. Bovendien heeft ze deze nummers volledig
zelf in elkaar gestoken, in contrast met wat ervoor kwam, waar
telkens wel een externe arrangeur of twee, drie, bij betrokken was.
Eindelijk klinkt haar stem nog eens alsof wat ze zingt ook
daadwerkelijk iets betekent voor haar. Vooral die tweede, waarop
Martin simpelweg zichzelf begeleidt op piano, vormt een
hoogtepunt.

Resteren er nog drie nummers, waarover op zich niet
zo geweldig veel nieuws te vertellen valt in vergelijking met hun
voorgangers. Alleen merken we nog op dat de afsluiter, ‘La petite
mort’, wederom een vrij intimistisch nummer is, waarvoor deze
jonkvrouw de muziek, dixit de credits, volledig zelf
geschreven heeft, en wederom schiet dit nummer boven de middelmaat.
In dezelfde trend merken we op dat de daverende openers twee van de
drie nummers zijn waar een zekere Michael Rault aan meegewerkt
heeft.

Misschien moet Coeur de Pirate dus gewoon
selectiever zijn in haar materiaal, en de mensen met wie ze
samenwerkt. Of simpelweg alles zelf doen, aangezien de drie nummers
op dit album waarvoor dit geldt zowat de beste uit de hoop zijn.
Punt is dat er wel wat kwaliteit te bespeuren valt op dit album,
maar dat de algemene indruk besmeurd wordt door dat saaie, zielloze
opvulsel daar tussenin. Bovendien schept het album verkeerde
verwachtingen door een ongelukkig gekozen tracklist, die
zorgt voor een slechte verspreiding van de actie- en rustpunten,
wat er op zijn beurt voor zorgt dat je na de helft van het album
half in slaap ligt, en je er, hoewel de tweede helft weer beter
wordt, tegen dan gewoon geen zin meer in hebt.

Smijt de helft van de nummers weg, en je houdt een
pracht van een EP over. Maar in zijn huidige full lenght
vorm, is dit album simpelweg overkill.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien + 1 =