Moneyball

In Amerika zijn ze er zot van, maar wij hebben er nooit iets van
moeten weten: kleffe films die gemaakt zijn met één doel voor ogen;
Oscars pakken. Je hebt de films waarin acteurs zich fysiek helemaal
laten vertimmeren, wat dan al te vaak verkeerdelijk wordt opgevat
als een teken van moed (Charlize Theron in ‘Monster’, Christian
Bale in ‘The Fighter’), je hebt de antiracismefilms die twee uur
lang voor het koor preken (‘Monster’s Ball’), je hebt er waarin
individuen hun leven op het spel zetten om voor één of ander groot
recht tegen de stroom in te gaan (‘Erin Brokovich’), je hebt
epossen waarin optioneel een resem historische feiten verwerkt
kunnen worden (‘Forrest Gump’). En dan heb je de
sportdrama’s. Wij horen u al kreunen en zuchten, en wij
kunnen daar volop mee sympathiseren. Ons doen ze ook niks en de
sporten waarover het meestal gaat (American football, baseball)
zeggen ons ongeveer even veel als die ene gekke discipline waarin
als goalies uitgedoste schaatsers heel, héél erg snel een
stukje ijsbaan dienen op te poetsen (curling, nvdr.). Maar het moet
gezegd: de gedoodverfde Oscarfavoriet voor de editie 2012 –
‘Moneyball’, over een in financiële moeilijkheden verkerend
baseballteam – is uitstekend.

Dat wil niet zeggen dat de clichés – de underdog, de
kleedkamerspeech, de afkeurende oude garde, het dochtertje, de op
het laatste nippertje goed uitdraaiende Grote Wedstrijd, de
sterspeler, het from zero to hero-verhaaltje, de
jeugdflashbacks, de archiefbeelden, de “op waargebeurde
feiten”-blabla, zelfs het blokje tekst dat ons na afloop informeert
over het lot van de personages – niet aanwezig zijn in de film, wel
dat ze op een frisse, fijnzinnige manier worden aangepakt, zodat u
willens nillens toch zal worden meegesleept door de queeste van
Billy Beane (Brad Pitt), general manager bij de Oakland
Athletics, die in 2001 de regels van het baseball wou omgooien van
een systeem dat draait rond scouts naar een economisch geïnspireerd
model. Burkes jonge protegé (Jonah Hill) vindt immers een manier om
spelers te beoordelen aan de hand van tabellen, formules en
spreadsheets, en middels die filosofie stelt Beane zijn
team van underdogs, has-beens en nobodies samen, tot groot
ongenoegen van de coach (Philip Seymour Hoffman).

Fijn is vooral hoe onderkoeld ‘Capote’-regissuer Bennett Miller
zijn film in beeld zet. ‘Moneyball’ baadt in een soort donkere
melancholie en de bruine kleuren doen veel meer denken aan die
lekker stoffige dossierthrillers uit de jaren 70 dan aan glorieuze
sportpamfletten als ‘Field of Dreams’. Hoewel de film zich zo
ongeveer rond 2002 afspeelt, lijkt het verhaal zich ergens veel
vroeger te situeren; het is dus precies alsof het baseballwereldje
al dertig jaar is blijven steken, wat Beanes nood aan innovatie
meteen ook een visuele ondersteuning geeft. Millers stijl is nooit
echt opvallend, maar hij weet zijn scènes geduldig en keurig op te
bouwen. Niet dat wij met onze mond open zaten te kijken naar het
gekibbel van de executives, talentenscouts en wat-heb-je (zoals bij
‘The Social Network’ wél het geval was), maar de opbouw en sfeer
zijn steeds uitstekend. Als wij hier per ongeluk waren
binnengelopen, wij hadden gedacht dat wij bij de nieuwe Clint
Eastwood waren gesukkeld: de droeve soundtrack, mistroostige
kleuren en oerdegelijk ondersteunende acteursregie wijzen allemaal
in die richting.

De echte ster van ‘Moneyball’ is echter niet Miller, maar wel de
zoals steeds geweldige Aaron Sorkin, die hier weer een formidabel
script aflevert; hij is een van de weinige schrijvers die dialogen
over marktmodellen, toekomstprojecties en winstmarges met een
opwindende, welhaast muzikale flair uit zijn pen kan laten vloeien.
De beste scènes van de film hebben dan ook weinig met sport te
maken, maar tonen hoe Brad Pitt razendsnel onderhandelt over de
koop en verkoop van spelers. Die laatste zit trouwens perfect in
zijn rol als uit de gratie gevallen golden boy. Hij geeft
een donkere, kwade onderstroom aan een personage dat anders
evengoed door een Kevin Costner uit de jaren 90 hadden kunnen
worden neergezet. Een goeie leading man zijn zonder grote
emotionele uitspattingen, lange speeches of andere manipulatieve
technieken – of ook wel: zonder achtervolgingen en ontploffingen –
het blijft een subtiele kunst, maar Pitt bevestigt nogmaals wat
voor een onderschat acteur hij is. Zijn nerveuze drive en
de voortdurende onzekerheid die hem parten speelt over zijn grote
project injecteren de film met wat broodnodige adrenaline.

Dat Miller niet écht van de platgetreden paden afwijkt – een
kleine kwinkslag hier of daar niet te na gesproken – maakt in se
niets uit: dit is een klassiek, maar wel uitstekend verteld verhaal
en dat hebben wij duizend keer liever dan een half in elkaar
stuikend waagstuk. Het is alleen spijtig dat ‘Moneyball’ ons nét
niet bij het nekvel wist te grijpen. Emotioneel gezien waren wij
toch niet helemáál mee en wij zaten nergens met bonzend hart te
kijken naar de wonderen der cinema die zich voor onze ogen
voltrokken. Stel uw verwachtingen dus niet té hoog in en u mag een
Oscarprent verwachten die niet zomaar degelijk is – zo’n
scheldwoord – maar oprecht goed. Zo weten fans van Eastwoods late
jaren, baseball of praatfilms waar altijd een zekere elektriciteit
in de lucht hangt, ook weer waarheen. Subtoppertje!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + dertien =