Sonny & The Sunsets :: Hit After Hit

Sommige mensen zijn in het foute tijdperk geboren. Terwijl de gemiddelde Duitse metalband vast beter aan z’n trekken kon komen in de achtste eeuw en Kathleen Cools, de wandelende maatstaf voor kwaliteitsjournalistiek, onlangs met verve bewees dat ze prima overweg zou kunnen met de inquisitoire rechtspraak van de zestiende eeuw, heeft het er alles van dat songschrijver Sonny Smith met deze plaat zo’n kleine vijftig jaar te laat komt.

Het geluid dat te horen valt op Hit After Hit is immers dat van een popjunkie die zich dagen aan een stuk heeft zitten laven aan de drieminutenexplosies van de klassieke British Invasion en de bubblegum pop van de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig, maar dan gezien door de roze bril van collega-positivo Jonathan Richman, die ook al zorgde voor een shot excentrieke onschuld in een muzieklandschap dat gedomineerd werd door geldingsdrang en donkere gedachten. Smith en z’n Sunsets doen niet minder dan terugkeren naar de dagen van de onschuld, toen rock-’n-roll draaide om drie dingen: vrouwen versieren, vrouwen kwijtspelen en andere vrouwen zoeken.

Geen songs over marsmannetjes, kassiersters en ijsjesverkopers zoals bij Jonathan Richman dus, maar onbezorgde (nu ja, onderschat nooit de gevolgen van hartenleed) liekes die vorm krijgen binnen het traditionele ’kort & vinnig’-formaat (elf songs in minder dan negenentwintig minuten, alstublieft!), dat je eigenlijk niet zou verwachten van een kerel die intussen al bijna veertig is. Samen met een resem collega’s, geplukt uit een aantal andere bands uit de garagepopscene van San Francisco (of op z’n minst eraan gelinkt), werkte Smith aan een collectie songs die niet enkel klinkt als the real deal uit de ’sixties, maar ook — net als het werk van pakweg The Fleshtones en Bobby Bare Jr. — minstens even vermakelijk is als de rammelpop van die tijd.

"She Plays Yoyo With My Mind" zegt het allemaal: geen geneut, geen grote gebaren, maar eenvoudige teksten over herkenbare toestanden, en dat verpakt in goedkope gitaren, simpele drums en hier en daar een tamboerijntje. Er komt al eens een orgel of een ooohh-hooooo aan te pas en een enkele keer valt er eentje uit de toon ("The Bad Energy From LA Is Killing Me"), maar voor de rest is dit spul drooggetraind als William Van Dijck in z’n hoogdagen: volledig vetvrij, een en al vezel. Hier en daar lijkt er verwezen te worden naar The Beatles ("Home And Exile") en The Kinks (het primitieve "Teenage Age Thugs", dat gegarandeerd de koppen aan het schudden brengt), en er passeert al eens een riff die je eerder hoorde (maar waar?), zoals in "Don’t Act Dumb", maar voor de rest is dit vers van de veiling.

Zo vers zelfs dat je na slechts een handvol luisterbeurten al zou kunnen denken dat je een compilatie met werk van vergeten sixtiesbands in handen hebt. Hele goeie sixtiesbands dan. Hit After Hit heeft z’n titel dan ook niet gestolen, want het onweerstaanbaar oubollige "I Wanna Do It", het opgefokte "Acres Of Lust" en het wiegende "Girls beware" (een vertraagde versie van Mink DeVille’s "Spanish Stroll") verwacht je zo tegen te komen in oude Billboard-nummers. Na de plaat van (het wat ruigere) Bass Drum of Death pakt Fat Possum opnieuw uit met een retropareltje dat bewijst dat een terugblik niet noodzakelijk tot duffe resultaten moet leiden. Meer nog: Hit After Hit is de shit, zeker nu de zomer een totaal fiasco dreigt te worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × twee =