Een dag in het leven van een persmuskiet :: onze man ging naar de junket van Cowboys & Aliens!




De nobele kunst van het
debiele-vragen-stellen

Op mijn betere dagen maak ik mezelf graag wijs dat dit zelfde fijne
webmagazine eigenlijk zo goed als mijn full-time job is. Op andere
dagen, daarentegen, moet ik… you know, geld verdienen en
zo. Wat inhoudt dat ik het restant van mijn tijd slijt als
copywriter (iemand eentje nodig?), die regelmatig advocaat van de
duivel moet spelen door de films aan te prijzen die een niet nader
genoemde digitale tv-zender toevallig te huur heeft. Jaja, als het
er op aankomt draaien we allemaal vrolijk mee in de commerciële
mallemolen.

Hoe dan ook, vanuit die digitale tv-zender kwam niet zo lang
geleden de vraag of ik voor hen naar Londen wilde trekken om er de
press junket mee te maken van ‘Cowboys & Aliens’, de
nieuwe film met Harrison Ford en Daniel Craig. Wie ooit ‘Notting
Hill’ gezien heeft, zal een tamelijk correct beeld hebben van wat
zo’n junket inhoudt: de sterren en (eventueel) regisseur
van een film worden ondergebracht in een peperduur hotel, waar ze
de ene na de andere journalist ontvangen, die dan welgeteld vijf
minuten krijgt om een diepgaand interview te plegen.

Zo’n junket is, van nature, een frustrerende bedoening
voor zowel journalist als filmster. Als journalist krijg je gewoon
lang niet genoeg tijd om een betekenisvolle vraag te stellen –
tegen de tijd dat je goeiedag hebt gezegd en de obligate
openingsvraag hebt gesteld (“Kunt u voor de kijkers thuis even uw
personage omschrijven?”), ben je al halverwege je interview.
Probeer dan maar eens iets interessants te weten te komen. En voor
de filmsterren is zo’n dag simpelweg strontvervelend: ze krijgen
aan de lopende band dezelfde drie, vier banale vragen waarop ze
dezelfde drie, vier standaardantwoorden geven, sporadisch
onderbroken door een archetypisch tv-blondje dat ofwel: a) geen
Engels spreekt; b) geen hol van film kent; c) de film in kwestie
niet eens gezien heeft; of d) een combinatie van alle
voorgaande.

Waarom ik dan toch gegaan ben? Check de namen op de lijst eens:
Harrison Ford, Daniel Craig, Olivia Wilde en Jon Favreau. Mocht u
betaald worden om vijf minuten tegenover die mensen te zitten, zou
u toestemmen? Ik dacht het wel. Ford is een jeugdheld, die
eindeloze namiddagen uit mijn kindertijd heeft gevuld als Indiana
Jones. Daniel Craig deed mee de Bond-franchise herleven. Olivia
Wilde heeft zich voorlopig nog te bewijzen als serieuze actrice,
maar hebt u haar gezien in die strakke ‘Tron’-pakjes?! En
Jon Favreau… Ja, oké, niemand zal beweren dat ‘Iron Man’ of
‘Cowboys & Aliens’ grote cinema is, maar ik zal nooit zijn
vertolking in ‘Swingers’ vergeten.

De minder zware journalistiek

De journalistieke waarde van de interviews beloofde alvast niet
veel soeps te worden. The powers that be die voor mijn
tripje verantwoordelijk waren, lieten me duidelijk merken dat ik
sowieso aan de acteurs moest vragen om hun personage te
beschrijven, zodat ze de antwoorden daarop konden
intercutten met clipjes uit de film. Daniel Craig die
zegt: “he’s a man with no name or past”, gevolgd door een
shot uit het begin van de film, waarin hij verward door de woestijn
loopt, u kent dat wel. En bovendien – o, gruwel! – werd ik ook
verplicht om aan Indiana Jones en James Bond te vragen een
station call te doen. Voor wie niet weet wat dat is: een
station call is een celebrity die schaapachtig in
een camera grijnst en dingen zegt als: “Hi, I’m Johnny Depp,
thank you for watching…”
Aan te vullen met een tv-station
naar keuze waar de persoon in kwestie nog nooit van zijn leven van
heeft gehoord. Ik voel me al een beetje een prostituée als ik
zoiets moet vragen aan een bekende kop van bij ons, maar nu…

Yup, ik begon met wat je noemt “enige ambivalentie” aan
mijn dagje als persmuskiet. Maar nogmaals: Ford en Craig zijn
helden, Wilde is hot en Favreau is, op zijn beste
momenten, nog wel grappig. En ik wil nooit één van die ouwe zeuren
worden die niet meer onder de indruk raken van een ouderwetse
filmheld. Als je al blasé begint te doen over de man die je
kindertijd via de cinema mee heeft gevormd, waarom schrijf je dan
überhaupt nog over film? Bijgevolg trok ondergetekende op woensdag
10 augustus van het jaar onzes heren 2011 naar een getroebleerd
Londen om er, godzijdank maar voor één dagje, de
celebrity-kwek uit te hangen.

Een getroebleerd Londen, zei u? Wat dacht u van rellen die zo
hevig waren dat men overwoog om het leger in te zetten? De avond
voor mijn vertrek waren er maar liefst 16.000 agenten op straat om
de rust te bewaren in de Britse hoofdstad. Er kwamen berichten
binnen dat er geen vitrine meer heel was in de stad. BZ raadde nog
niet officieel af om naar Londen te gaan, maar waarschuwde wel dat
“voorzichtigheid geboden was”, en ik, ik ging daar eventjes tussen
wandelen om vijf minuten met een stel filmsterren te praten over
cowboys. En aliens. Nogmaals: zware journalistiek ging niet aan de
orde van de dag zijn.

Was ik zenuwachtig? Een beetje wel. Ik ben niet snel
starstruck, maar we spreken hier ook niet over de eersten
de besten en ik was er me continu van bewust hoe kort mijn tijd bij
de acteurs wel zou zijn. Aanschuiven voor koffie in Brussel Zuid
duurde langer dan mijn individuele interviews zouden zijn, en toch
moest daar iets bruikbaars uit komen. Los van al de rest, was ik
daar immers ook om een job te doen – om een klant het eindproduct
te leveren waar hij om gevraagd had.

“Oh, wonderful! The best show in town! ****

Hoe dan ook, het eerste deel van de dag bestaat uit een
opeenvolging van treinen die, geheel tegen de officiële werkethiek
van de nmbs in, allemaal op tijd rijden. Van Gent Sint Pieters naar
Brussel Zuid en daarna de Eurostar tot in Londen. Op het moment dat
de trein stilstaat om ons er af te laten in St Pancras, krijg ik
telefoon van een dame van filmverdeler Universal, die vandaag de
boel organiseert. Universal had om 10 u (London time) een
vertoning van de film georganiseerd, waarop ik niet aanwezig was.
Ik leg haar uit dat ik de film twee dagen eerder al gezien heb, op
een vertoning in het kantoor van Universal in Brussel, waarop de
dame letterlijk uitschreeuwt: “Oh, wonderful!”. Alsof ze
nog nooit in haar leven beter nieuws had gehoord. We bevinden ons
hier duidelijk in het land van het professioneel enthousiasme,
waarin eindeloze vrolijkheid over àlles deel uitmaakt van de
jobomschrijving. PR-mensen, je kan ze niet genoeg betalen – ik mag
er niet aan denken om continu zo hyper te moeten doen.

Van aan St Pancras neem ik de Underground tot aan Bond Street,
de dichtste halte bij het hotel waar alles vandaag zal
plaatsvinden. Ooit heeft iemand in het Londense stadsbestuur
beslist dat de metrostations niet koeler mogen zijn dan 35 graden
Celsius. Ik weet niet wie en ook niet waarom, maar de warmte slaat
je in het gezicht en ik voel enkele druppels zweet langs m’n rug
naar beneden lopen. Het eerste waar ik aan denk: ik wil niet naar
zweet zitten meuren tegenover Harrison Ford. Damn!

Een korte metrorit later kom ik boven de grond in Bond Street,
één van de grootste Londense winkelstraten. De berichtgeving van de
laatste dagen was zo alarmerend dat ik half verwacht om
kapotgeslagen etalages te zien, omgekeerde vuilnisbakken en hordes
politieagenten die de wankele rust van de vorige nacht proberen te
bewaren, maar niets daarvan. Het Londen dat ik ditmaal zie, is het
Londen dat ik al twee keer eerder heb gezien. De rellen zijn
blijkbaar niet tot zo diep in het centrum geraakt. Drommen mensen
lopen elkaar voor de voeten, mannen in vernederende kostuums
proberen klanten hun zaak binnen te lokken (één is zowaar in een
kippenpak gestoken om een Kentucky Fried Chicken-kloon te promoten)
en het geluid van verkeer en wegenwerken overstemt alles. Londen
heeft zijn mooie plekjes, uiteraard, maar telkens ik hier kom, word
ik ook overvallen door de vermoeiende kracht van een stad die
continu gericht is op de verkoop van alles wat zich maar laat
verkopen. Veel meer dan in Brussel of zelfs Parijs, word je continu
overweldigd door billboards, bewegende reclamepanelen en slogans.
Overal zie je superlatieven, sterrenwaarderingen (“the best
show in town!”,
lees ik minstens vier of vijf keer, inclusief
op de affiche van een Andrew Lloyd-Webber versie van ‘The Wizard of
Oz’; en waarom moet Andrew Lloyd-Webber overigens met zijn profane
poten aan een monument als ‘The Wizard of Oz’ zitten frunniken?) en
bovenal prijzen, meestal voorafgegaan door een leugenachtig
only”. British breakfast, hapklaar geserveerd om mee te
nemen in zo’n plastic schaaltje dat McDonald’s jaren geleden al
heeft afgevoerd omdat het te kwalijk was voor het milieu, voor
only £ 8,99. Ruim tien euro voor een miniportie eieren,
worst en bonen? Only?

Wanneer ik voor het plezier naar Londen kom, zoek ik al snel het
net-iets-minder commerciële centrum op (hoewel het onmogelijk is om
er helemaal aan te ontsnappen, natuurlijk): Notting Hill, de oevers
van de Theems, het British Museum. Maar nu heb ik weinig keus. Van
aan Bond Street is het maar vijf minuten wandelen tot aan
Claridges, een vijfsterrenhotel waar een kamer per nacht ongeveer
evenveel kost als mijn appartement per maand.

Het probleem is wel dat ik nog ruim twee uur heb voordat de
press junket begint. Lucky me, op nog geen
steenworp van het hotel, ontdek ik Brown Hart Gardens, een verhoogd
terras dat, ontdek ik later, blijkbaar bovenop een
elektriciteitsstation gebouwd is. Van de drukte van Londen is hier
weinig te bespeuren. Enkele mensen komen hier hun lunch eten –
zonder uitzondering take-aways van een grote Amerikaanse
keten – maar voor de rest is dit een rustig hoekje om een uurtje
door te brengen. Daar, in een prettig, niet-te-warm, niet-te-fris
middagzonnetje dat we in België wat vaker zouden kunnen gebruiken,
wacht ik tot half twee (half drie op mijn horloge) en dan besluit
ik dat het mooi is geweest. Tijd om naar Indy en James Bond te
trekken.

Een kudde journalisten

De lobby van het hotel, de mensen die er in rondlopen, de
piccolo die me naar de derde verdieping voert in een lift met een
tweepersoonszeteltje… Alles aan Claridge’s schreeuwt uit dat
proletariërs als ik hier niet thuishoren. Universal heeft blijkbaar
de hele derde verdieping afgehuurd voor de gelegenheid. Ik word
naar een verrassend klein kamertje gevoerd, waar tien à vijftien
lotgenoten op elkaar gepakt zitten. De catering mag er zijn:
broodjes, water, van die dure Nespresso-koffie die George Clooney
naar ‘t schijnt drinkt en zelfs een schotel met frietjes die wordt
warm gehouden door een gasbrandertje. Het is zo dat je de meer
ervaren junket junkies van de first timers kunt
onderscheiden: de mannen die dit regelmatig doen, werpen zich op
het voedsel alsof ze al drie dagen niet meer hebben gegeten. De
anderen durven op zijn best een watertje te nemen en zetten zich
daarna op een stoel om hun vragen door te nemen. Onder de
aanwezigen zijn een Deense journalist die er krèk uitziet als
Comic Book Guy uit ‘The Simpsons’ en een Ghostbusters
T-shirt aanheeft; een Japanse dame waarvan ik heel even vermoed dat
het eigenlijk Wendy Van Dijck is in haar Ushi-gedaante; en ons
aller Ward Verrijcken, veteraan van talloze Rode Lopers, die
schrikt dat hij niet de enige Vlaming ter plaatse is, maar een
sympathiek babbeltje komt slaan.

Over één ding is iedereen het eens: Harrison Ford is
definitely de meest gevreesde man van de dag. Ford staat
bekend als een grumpy old man, die eigenlijk een hekel
heeft aan interviews, laat staan snelle, oppervlakkige babbeltjes
zoals vandaag, en bijgevolg de neiging heeft om zijn antwoorden te
beperken tot twee gemompelde woorden. Wat ergens begrijpelijk is,
ware het niet dat hij gemiddeld 15 à 20 miljoen dollar vangt voor
een film; voor zoveel geld mag je al wel eens vriendelijk
glimlachen naar de journalist die vijf minuten van je tijd komt
opeisen met een paar domme vragen.

Een assistent met een klembord steekt zijn hoofd de kamer in en
roept mijn naam af. “Kom maar even mee,” zegt hij, en hij leidt me
de gang in. Aan vier van de deuren die op de gang uitgeven, staan
enkele stoelen klaar. De assistent laat me plaatsnemen en zegt dat
ik zo dadelijk binnen mag bij Jon Favreau, de regisseur van de
film, die eerder ook al de twee ‘Iron Man’-films draaide. De manier
waarop ik daar zit, roept oncomfortabele herinneringen op aan
universiteitsexamens: met een paar papieren in de hand in een gang
rondhangen, tot het aan jou is en je jezelf moet gaan bewijzen.
Vijf minuten nadien mag ik binnen voor het eerste interview van de
dag.

Lees
verder…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + zes =