Sara Serpa :: Mobile

Aan ambitie geen gebrek bij de Portugese, naar New York overgewaaide Sara Serpa. Op haar derde album neemt de 31-jarige zangeres het heft in eigen handen, met veelal eigen composities en een overkoepelende aanpak die net zo goed op een fiasco had kunnen uitdraaien. Dat was buiten haar eigenzinnigheid en originaliteit gerekend.

Serpa is ongetwijfeld een zangeres die al voor verdeelde reacties gezorgd heeft en dat ook zal blijven doen. Ran Blake, een mentor met wie ze vorig jaar het duoalbum Camera Obscura opnam, dicht haar een magische stem toe, terwijl ze ook al mocht aantreden in het gezelschap van grote jongens als Greg Osby en Danilo Perez. Daarnaast schuwt Serpa ook het experiment niet: in New York ging ze live al in confrontatie met volk als Tyshawn Sorey en John Hébert, die met twee voeten binnen de avant-garde staan. Ook op Mobile omringt ze zich met een kwartet uit die omgeving, al zou het wat ver gaan om de muziek radicaal te noemen.

Ze houdt er een wat opmerkelijke stijl op na, terwijl haar stemgeluid niet bepaald doorsnee is voor een jazzvocaliste. Bij haar valt immers geen grammetje blues of een grove korrel te bespeuren. Serpa heeft een eerder vlakke, vibratoloze stem die te weinig ‘karakter’ heeft om in de diepte te duiken, om het lichaam in de strijd te gooien, om het aan te pakken als iemand als Fay Victor, die schijnbaar vanuit een in de aarde gewortelde rauwheid en puurheid zingt. Neen, Serpa zal door haar hoge meisjesgehalte en gepolijste stembanden beter af zijn met een verfijnde aanpak, waarbij haar geen gebrek aan maturiteit kan aangesmeerd worden als ze het niet op een kelen van blues standards zet. Dat alternatief leidt hier soms tot erg fraaie resulaten.

Op Mobile wordt de stem vooral gebruikt om woordeloos te zingen, waarbij ze soms onvoorspelbaar melodisch verkent als een echte muzikant. Het is dan ook weinig verrassend dat ze regelmatig eenzelfde parcours volgt als een van haar begeleiders, vooral dan gitarist André Matos. Door die simultane lijnen, die sowieso al erg bochtig zijn, krijg je heel vaak een vreemd dromerig effect, waarbij de gestileerde ondersteuning zorgt voor hypnotiserende resultaten. Serpa moet het niet hebben van opvallende capriolen of grote statements, maar van subtiele kleurschakeringen, delicate intonaties en een vermogen om zich het hoge register eigen te maken. Het is een risico dat veel vocalisten niet zullen nemen – het is immers van een naaktheid die de minste fout of kromme nuance meteen in de verf zet – en hier regelmatig tot erg aantrekkelijke resultaten leidt.

Negen van deze tien composities verwijzen naar literaire werken en allemaal staan ze in het teken van beweging en ontmoetingen (tussen mensen, culturen, genres). Gaat “Sequoia Gigantis” van start met de klassieke quote uit John Steinbecks Travels With Charley, dan verkent ze in de loop van de andere songs de oudheid (de Odyssee en Herodotus’ Historiën), canonauteurs (Melville, Cummings), maar ook meer hedendaagse (Naipaul, Kapuscinski) en Portugese stemmen (Miguéis), en het werk van de Italiaanse stripauteur Hugo Pratt (Corto Maltese). Op enkele citaten na is de link tussen de schrijvers en de uitwerking niet van zo’n groot belang, al zou je kunnen zeggen dat de weemoedige muziek en clip van het ingetogen “Corto” best een geslaagde weerspiegeling zijn van de getekende versie.

De songs vergen vaak meerdere beluisteringen voor ze zich echt laten kennen, al is dat voor een groot stuk de verdienste van de muzikanten, met naast Matos ook nog bassist Ben Street, drummer Ted Poor en pianiste Kris Davis (die ook een uitstekend trio heeft met Ingrid Laubrock en Tyshawn Sory), die zorgen voor een impressionistische ondergrond waar Serpa’s zang het best op kan gedijen. Pakken ze nu eens uit met een terugkerend stootmotief dat Serpa als uitvalsbasis kan gebruiken (“Ulysses’ Costume”) of een heel open, bijna karige invulling met akoestische gitaar en gloeiende Rhodes (“Pilgrimage To Armanath”), dan gaat het er soms ook weerbarstiger aan toe. Zo is “Gold Digging Ants” binnen dit album het meest kloeke nummer, met een vurige solo van Davis.

Het fadonummer “Sem Razão” krijgt hier een stijlvolle behandeling, terwijl afsluiter “City Of Light/City of Darkness” een studio-experiment is waarbij Serpa naar hartenlust stemmen kan stapelen tot het haast lijkt op een koortsdroom. Mobile is geen ‘zware’ plaat die overeenkomt met het clichébeeld van Portugese muziek (donker/intens, dramatisch, passioneel), maar wel een opmerkelijke en knappe, waarbij Serpa’s idiosyncratische werkwijze zeker het nodige geduld vraagt. Wie dat ervoor over heeft, die kan hier echter een aanstormend talent ontdekken dat heel wat in haar mars heeft en nog wel eens potten zou kunnen breken op grotere schaal.

Serpa maakt haar Belgische première op vrijdag 9 september in De Singer (Rijkevorsel), waarvoor ze ook gitarist Matos meebrengt. De rest van het kwintet bestaat uit Eva Novoa (piano), Masa Kamaguchi (bas) en Tommy Crane (drums). Meer info en reservaties via www.desinger.be

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 8 =