Bill Wells + Aidan Moffat :: Everything’s Getting Older

Net zoals de Californiërs ooit de soundtrack bij de zomer verzorgden en de populairste hits in de jukebox van café De Leeuw van Vlaanderen in Antwerpen vooral marsjes van degelijke Duitse makelij waren, zo moet je voor muzikale druilerigheid bij de Schotten zijn. Of het nu gaat om natuurschilderijen, smachtende karamellenverzen of het betere levenslied, de haggiseters voorzien het traditiegetrouw van een laagje misère dat je nergens anders kan vinden ten westen van Rusland. Nu en dan leidt dat tot bijzondere resultaten, zeker als twee onvervalste Droopy’s de koppen bij elkaar steken, zoals op Everything’s Getting Older.

Aidan Moffat was tot een vijftal jaar geleden de boeiendste helft van Arab Strap, zo’n band die de doorsnee belichaming was van all things Scottish. Hoewel hun indierock soms vocht met de saaiheid, zat er een unieke gelatenheid in die draaglijk was door de aaibare grumpiness uit het Britse noorden. Moffatt, die er uitziet als een verwaaide grizzly, harkte de voorbije jaren een wispelturige resem platen bij elkaar, die muziek en het gesproken woord op originele manier bij elkaar brengen. Het zijn albums die je net zo goed kan beschouwen als van muziek voorziene verhalenbundels. Het was bovendien een kwestie van tijd voor de samenwerking met Wells er zou komen.

Die bijna-vijftiger, autodidact en multi-instrumentalist, dook eerder op bij The Pastels en aan de zijde van Isobel Campbell, maar net zo goed bij avant-gardenamen als Lol Coxhill en Annie Whitehead. Hij nam gerafelde jazz op met de Japanse primitivist Maher Shalal Hash Baz en heeft er een paar ondergewaardeerde platen onder eigen naam op zitten die een charmant verbond sluiten tussen de indie- en de jazzwereld. Z’n pianospel, dat centraal staat op Everything’s Getting Older, is doorgaans gefundeerd op vrij eenvoudige ideeën en melodieën, tegen het kinderlijke aan en soms schaamteloos sentimenteel, maar nergens goedkoop. Naïef is misschien nog de beste omschrijving.

Een achttal jaar geleden werkten de twee al aan “(If You) Keep Me In Your Heart”, maar de plaat ziet nu dus pas het daglicht. Het zou echter geen slecht idee zijn om haar eerst een paar luisterbeurten te gunnen in de late uurtjes, omdat er dingen onthuld worden die het daglicht beter niet zien. Heeft ze het ene moment iets van een confessionele singer-songwriterplaat, dan ben je er even later niet zeker van wat de bedoeling is: Moffat lijkt bij momenten op te biechten met een recht voor de raapse eerlijkheid en een alter ego dat rechtstreeks uit een verhalenbundel komt. Het meest voorkomende muzikale formaat is hier dat van de pianoballade, en hoewel er ook wel gitaar, contrabas, strijkers en trompet aan te pas komen, staan piano en stem centraal.

De instrumentale opener “Tasogare” is een volbloed tegeldraaier en als je bij de rest van de plaat de woorden zou wegdenken, dan is dit inderdaad spul dat je kan opleggen bij kaarslicht terwijl je vanachter een glasraam de wereld vol onwetendheid laat passeren. Moffat zorgt echter voor de Schotse misère en melancholie, en dat niet door het op een weemoedig zelfbeklag te zetten en een eindje weg te zwetsen over wat ooit was en had kunnen zijn, maar door boudweg toe te geven waar het fout liep, wie er bedrogen uit kwam, de verkeerde woorden ophoestte en excuses verwarde met nog meer verwijten. Moffats ellende is die van te veel zuipen en wakker worden met een verstopt urinoir in je handen, van beseffen dat je je geld erdoor joeg in een smerige hoerenkast nadat je je beste vriend tegen de vlakte sloeg om een flauwe grap.

“Let’s Stop Here”, “Ballad Of The Bastard” en “The Sadness In Your Life Will Slowly Fade” (dat misschien nog mooier is dan die titel belooft) hebben dan ook meer met spijt, wroeging en verbroken beloften te maken dan met gelukzaligheid, laat staan tevredenheid. Met een moddervet accent biedt de man de ellende van de geslagen hond aan op een roestig dienblad van verwensingen. Mooist van al is echter het op muziek gezette verhaal “The Copper Top”, een innemend portret van een figuur die na een begrafenis in een pub belandt en daar verzinkt in een interne monoloog. Moffats gortdroge vertelmanier, een steeds herhalend pianomotief en aanzwellend cellogestrijk: meer is er niet nodig om een complete wereld op te roepen.

De andere helft van de nummers is iets minder gestroomlijnd en zoekt het soms bij een grimmiger of ritmischer inkleuring. “Are we ever truly free?”, vraagt Moffat in “Cages”. Je hebt z’n antwoord op de vraag niet nodig om te begrijpen hoe de man er over denkt. Idem in “Glasgow Jubilee”, kabbelend op een wahwah-riffje, dat van start gaat met de woorden “We could all be dead tomorrow, says the whore to the hero, and for handsome squaddies like yourself, my fee’s reduced to zero”. Wat volgt is een verhaal van verderf dat mijlenver verwijderd is van de romantische opener en bijna schokkend is in z’n directheid. Ook dat is Moffat. Niet alles is zo grimmig, want het wordt allemaal een beetje in balans gehouden door aardiger songs als “The Greatest Story Ever Told”, maar je blijft zitten met een wrange nasmaak.

Everything’s Getting Colder is niks voor zachtaardige dromers, maar voor volk dat het leven onder ogen kan en wil zien, en zich misschien kan vinden in de overrompelende gevoelens van wroeging en zinloosheid. Het album kreeg bovendien een bijzonder geslaagde flow mee en bewandelt de draad tussen pijnlijke onbeschaamdheid en innemende eerlijkheid op een meeslepende manier. Robert Burns kan zich weinig betere volgelingen wensen. Schotland is weer het epicentrum van de katers en verfrommelde gezichten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × drie =