Bill Wells & Aidan Moffat :: 2 november 2011, Botanique

Bijna dag op dag vijf jaar na het afscheidsconcert van Arab Strap staat Aidan Moffat opnieuw in de Botanique, deze keer in een halfvolle Rotonde met pianist Bill Wells, met wie hij tekende voor een van de meest opmerkelijke albums van het jaar: Everything’s Getting Older, een druilerig werkstuk tussen nachtbrakersjazz, het gesproken woord en een ode aan de menselijke onvolmaaktheid.

Maar eerst RM Hubbert, een volgetatoeëerde kolos die zichzelf op z’n site als volgt voorstelt: Hello. I am a guitarist from Glasgow in Scotland. I made a record called First & Last about death, mental illness, love and a dog by the name of D Bone. It is not as depressing as that last sentence might suggest.” Het zou meteen ook de toon van zijn even korte als ontwapenende performance worden. De man speelt een eclectisch soort instrumentale folk, waarbij de klassieke gitaar in zijn handen eerder als een ukelele oogt. Groot was ook het contrast tussen het uiterlijk en de verrassend fijnzinnige songs van de man, die evenveel verwantschap vertonen met de folk van Alasdair Roberts als die van Amerikanen John Fahey en Leo Kottke, en dan nog eens voorzien werden van een forse scheut flamenco.

Vingervlugge fingerpicking, gecombineerd met vaak lieflijk pastorale melodieën en nu en dan percussieve begeleiding op de klankkast van het instrument. Nu eens lyrisch meanderend en dan weer compacter, z’n muziek was ingetogen folk van de beste soort. Voor Hubbert is muziek maken bovendien een therapeutische aangelegenheid. Met een aandoenlijke combinatie van openheid en bescheidenheid vertelt hij over depressie, verlies en nostalgie en hoe hij gebeurtenissen en personen uit z’n leven vereeuwigt in z’n muziek. Wat zwaarwichtig had kunnen worden in de handen van mindere artiesten, werd bij hem een set die balanceerde op de grens tussen sentiment en intensiteit. Een indrukwekkend concert van een integer artiest.

Aidan Moffat en Bill Wells werden voor hun rondrit door Everything’s Getting Older bijgestaan door contrabassist Stevie Jones en trompettist Robert Henderson, ook al muzikanten die deel uitmaken van de Glasgow-scene. Van meet af aan baadde het concert in de recht-voor-de-raapsheid die ook het album kenmerkt. De songs zijn doorgaans kort, maar hebben een maximale impact door de relatief sobere inkleuring en Moffats bevlogen parlando, stuk voor stuk getoonzette kortverhalen over vergankelijkheid, wroeging, stukgelopen relaties en koppijn na een avondje doelloos zuipen. Voluit Moffat dus, en die joeg er in de loop van goed drie kwartier ook een six pack door.

Openen gebeurde met albumopener “Tasogare”, waarbij meteen de toon gezet werd — denk aan een nachtelijk gesprek in een doorrookt (doe alsof het nog bestaat) café, waar de stoelen al op tafel staan en de laatste ronde zopas uitgedeeld werd. Daarna baande het kwartet zich een weg door het album, dat bijna integraal gespeeld werd, en een stel nieuwe songs. Een ervan was “Box It Up”, dat perfect aansloot bij de albumtracks. Een ander was een slepende versie van Bananarama’s “Cruel Summer”. Moffat, die zelf ook basispercussie voor z’n rekening nam, hield het bij gortdroge en soms grappige commentaren met vaak een wrange bijsmaak.

Doorgaans bleven de songs trouw aan de albumversies, waarbij het repetitieve pianospel van Wells vaak erg fraai samenging met het lijzige trompetspel van Henderson; het was muziek met een soms sentimentele en haast kinderlijk simpele sfeer, maar in combinatie met de eeltige verhalen van Moffat zorgde het voor een verrassend diverse samenhang en een regelmatig emotionele uppercut. Ook nu was “The Copper Top”, een interne monoloog aan de toog, een piekmoment, net als het erop volgende, met slechte seks en gedrag volgestouwde “Glasgow Jubilee”. Idem voor “The Sadness In Your Life Will Slowly Fade”, dat zich ontpopte tot een loepzuivere ribbenplakker. “A Short Song To The Moon” werd aangekondigd als “this is the happy song… the only one”.

Hoogtepunt was echter het tweeluik “Ballad Of The Bastard”, gebracht met enkel piano en stem, en “The Greatest Story Ever Told”, dat de set afsloot na amper drie kwartier. Nog twee albumstukken in de bis en dan zat het er al op. Het concert was dus kort, werd nu en dan nonchalant uitgevoerd, met de nodige foutjes hier en daar, maar dat hoorde eigenlijk ook zo. Pop en rock-‘n-roll mogen escapisme bieden, maar al te vaak leidt het tot zielloze, akelige perfect uitgevoerde performances en songs die een mens niets bij te brengen hebben.

Everything’s Getting Older was een confronterend eerlijke plaat, inclusief minder fraaie uitspattingen, en die werden ook nu niet achtergehouden. Moffat is misschien geen beter individu dan u en ik, maar hij kan wel beter verwoorden wat het inhoudt om er een te zijn te zijn, inclusief de ranzige kantjes. En daardoor konden deze knakkers ons, ondanks de beperkte duur en de talloze schoonheidsfoutjes, koudweg pakken met iets dat deze dagen veel te weinig te beleven valt: een concert op mensenmaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − 1 =