Bohren & Der Club Of Gore :: Beileid

Bohren & Der Club Of Gore is de band die begint te spelen wanneer het officiële gedeelte van de avond achter de rug is, het merendeel van het volk alweer onder de wol ligt en de kuisploeg het vol sigarettenwalm hangende achterzaaltje een goede beurt geeft. Album #7 laat opnieuw geen koerswijziging horen (de band noemt het zelf dan ook “uneventful music”), of het zou al de bijdrage van Mike Patton moeten zijn.

Bohrens duistere doomjazz, die met een haast pervers geduld wordt gespeeld, is nog altijd vrij uniek. De vier Duitsers maken dan ook hypergestileerde, instrumentale verhalen die zowel aanleunen bij broeierige nachtjazz als bij corpulent voortkruipende lounge; gitzwarte bombast die doorgaans aan een tempo wordt afgewerkt dat enkel de monniken van Sunn O))) aankunnen. Al meer dan twintig jaar gaat het kwartet, dat oorspronkelijk verbonden werd door een voorliefde voor grindcore, death en doom metal, halsstarrig te werk met een ethos die volledig voorbijgaat aan trendgevoelige stijlen en goedkope gimmicks.

Dat zorgt ervoor dat hun albums opmerkelijk tijdloos klinken, opgesloten in een ruimtecapsule met een onbekende bestemming. Op zijn manier is het nogal extreem — weinig bands vullen albums met drie songs waar zo weinig in gebeurt — maar toch blijft het toegankelijk. Er komen geen luide gitaren, razende drums of versmachtende volumeniveaus aan te pas. De band laat de met bas, drums, toetsen en saxofoon samengestelde smurrie zachtjes uit een bakje lopen en wacht tot de hele oppervlakte ermee bedekt is. Op Beileid, dat net de grens van het halfuur overschrijdt, is dat niet anders.

In opener “Zombies Never Die (Blues)” vindt het karikaturale van de titel enkel z’n gelijke in het drentelende tempo waarmee bas, vibrafoon en toetsen zich een weg banen door een nevelige klankenwereld die gaandeweg wordt uitgebreid met gedempte percussie en de sopraansax van Christoph Clöser, die het geheel naar goede gewoonte voorziet van een emotionele toets.

Voor het langere “Catch My Heart”, oorspronkelijk van de Duitse metalband Warlock (vooral bekend geworden door de opvallende aanwezigheid van metalbabe Doro Pesch), wordt de hulp ingeschakeld van fan en labelbaas Mike Patton. De zanger is eigenlijk de ideale man voor de band, want z’n theatrale aanpak, waarbij elke lettergreep vol smachtende romantiek wordt gestouwd, bevat ook dat ranzige randje dat zo veel van Bohrens nummers kenmerkt, een om de hoek loerende perversiteit die vorm krijgt door sluipende bombast. Op papier zorgen die lyrics met hun overdaad aan pathos en kleffe beeldspraak vooral voor een komisch effect, maar Patton pakt het aan op een manier die nét niet over the top is. Er zit dreiging, pijn en onheil in, maar het sluimert nog en wordt in toom gehouden door het statische tempo.

Het al even lange afsluitende titelnummer is dan weer vintage Bohren, een klein kwartier dat bijna onopgemerkt voortglijdt en gebaseerd is op een minimum aan ideeën, maar zorgt voor maximum impact op voorwaarde dat je verbeelding als luisteraar voldoende creatief is om van het aangereikte materiaal een eigen denkbeeldige film te maken. Wie hiervoor niet overtuigd was, die mag dit aan zich voorbij laten gaan. Wie de band daarentegen al aan de borst drukte ten tijde van Dolores (2008), die weet wat hem/haar te doen staat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − 3 =