Craig Taborn :: Avenging Angel

De voorbije vijftien jaar heeft pianist Craig Taborn een indrukwekkend parcours afgelegd van nieuwkomer tot een van de meest gevraagde concert- en sessiemuzikanten van het moment, zeker binnen de experimentele vleugel. Je zou daarbij vergeten dat hij die reputatie bijna helemaal te danken heeft aan werk in dienst van anderen. Met Avenging Angel, zijn eerste plaat onder eigen naam sinds Junk Magic (intussen al van 2004) staat hij voor het eerst helemaal alleen in de kijker. Dat werd tijd.

Taborn is een onwaarschijnlijk boeiende figuur die zich naast verschillende muzikanten (en naar verluidt op meer dan honderd releases!) in de kijker wist te spelen, en dat op piano, orgel, Fender Rhodes en elektronica. Kreeg hij aanvankelijk een plekje bij James Carter toen die furore maakte, dan werd hij daarna vaak opgemerkt aan de zijde van Roscoe Mitchell, Tim Berne en Dave Douglas. Veel meer nog dan andere hedendaagse pianisten als Jason Moran, Brad Mehldau, Vijay Iyer en Gonzalo Rubalcaba is Taborn een artiest die er z’n hand niet voor omdraait om in de meest uiteenlopende contexten aan de slag te gaan, van de taaie collectieve improvisatie van Mitchells Note Factory tot het moderne ensemblewerk bij David Binney en Michael Formanek.

Heel vaak krijg je ‘m ook te horen met drummer Gerald Cleaver, een muzikale partner sinds twintig jaar. Samen speelden ze recent op het soulvolle Deluxe van Chris Lightcaps Bigmouth, vormden ze een freejazztrio met basmeester William Parker (Farmers By Nature) en speelden ze drie weergaloze albums vol met de Scandinavische saxofoniste Lotte Anker. Die albums laten een ritmesectie horen die geen hyperkinetische hoogstandjes nodig heeft om indruk te maken. Bovendien is Taborn niet vies van de rockcultuur: hij nam een plaat op met Dave King (drummer van The Bad Plus) en Greg Norton (ex-Hüsker Dü) en kan als echte onvervalste metalhead een boompje opzetten over Voivod, Gorguts en Cryptopsy. Geen wereldvreemd conservatoriumproduct, dus.

Avenging Angel werd in Lugano (Zwitserland) opgenomen op één dag, onder de auspiciën van Manfred Eicher, het ECM-opperhoofd zelf. Natuurlijk draagt het label een dominante pianogeschiedenis met zich mee (denk maar aan het werk van Paul Bley en Keith Jarrett) en Taborns solowerk lijkt daar aanvankelijk bij aan te sluiten. Het album eenvoudigweg het “jazz”-label opplakken zou het dus tekort doen, want net zoals de strakke vormgeving van de cd en de typische ECM-toets (inclusief een fenomenale sound) al doen vermoeden, valt Avenging Angel eerder te situeren in een meer cerebrale hoek. De schijnbare afstandelijkheid en rigiditeit was ook wat ons aanvankelijk ervan weerhield om het album te omarmen, iets dat gelukkig veranderde naarmate het geabsorbeerd werd.

Het is dan ook een album dat intense en herhaalde beluisteringen vergt. Niet enkel omdat het een immense concentratie vraagt om een greep te krijgen op het uiteenlopende gamma van de stukken en de imposante techniek die de muziek stuurt, maar ook omdat het gaat om dertien tracks die allemaal improvisaties zijn. Hier en daar zijn er bij die duidelijk vertrekken van een welomlijnd idee — een interval, een herhalend motiefje (met het denderende titelnummer als beste voorbeeld) –, al zijn andere duidelijk ontstaan in het moment of gaan ze volledig op in een fascinatie met pure klank en textuur. Enerzijds krijg je daardoor een erg grillig en onvoorspelbaar verloop, omdat er geen overkoepelende werkwijze achter steekt, en anderzijds blijft het daardoor enorm fascineren.

Grote stukken van het album blijven resoluut hangen in de wat strenge, meditatieve sfeer die je van ECM verwacht (“The Broad Day King” gaat meteen erg ingetogen van start), maar Taborn legt daarbij een boeiend parcours af, met in de Europese traditie gewortelde kamerjazz en knikjes richting moderne klassiek, minimalisme en avant-garde. Zo zijn “True Life Near” en “Forgetful” helemaal op maat van de liefhebbers van Satie, Winston of het solowerk van Mertens, en krijg je elders voldoende prikkels om de avonturiers tevreden te stellen, zoals in het krachtdadiger “A Difficult Thing Said Simply” en het tweehandige friemelfestijn “Spirit Hard Knock”. Mooist van al zijn echter afwisselingen tussen stukken als “Glossolalia” (woelig, grillig, steeds ontglippend) en “Diamond Turning Dream” (schraal, puur, kristalhelder) en het besef dat ze eenzelfde obsessie met klankbeheersing en -verkenning gemeen hebben.

Het is een fascinatie die Taborn naar eigen zeggen te danken heeft aan z’n leerperiode bij Mitchell en die hier uitgewerkt wordt in een voortdurend van een andere kant belichte verhouding tussen het ivoor, de hamers, snaren, klankkast en het sustainpedaal. Klanken worden met afgewogen kracht en subtiliteit gecreëerd en vrijgeleide gedaan, kunnen uitdijen, vergaan, contrasteren, en, vooral, een plaats zoeken in de stilte, want Taborn is een pianist die ruimte en stilte laat vallen zonder daar een al te dramatische gimmick van te willen maken. “This Voice Says So” wordt daardoor voorzien van een bijna sacrale schoonheid. Het resultaat is daardoor een fascinerende luisterervaring, soms etherisch en afstandelijk, maar net zo vaak meeslepend, prikkelend of gewoon uitnodigend om te oren te spitsen, bij voorkeur met een koptelefoon in de aanslag.

Taborn staat op 10/11 op het Follow The Sound-festival met z’n trio (met bassist Thomas Morgan en drummer Gerald Cleaver), aangevuld met Lotte Anker. En iets verder weg: op 29 maart 2012 staat hij met datzelfde trio in CC Maasmechelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − 12 =