Manu Chao :: 3 juli 2011, Rivierenhof

Manu Chao, voor een halfzittend publiek? De gekheid ervan werd zondagavond al na twintig
minuten bewezen, en de metalen grid over de fontein voor het podium van het Rivierenhof daverde
meer dan een beetje onder een uitbundig hossende menigte. De kleine Spanjaard mag de laatste
jaren dan weer wat meer in de luwte opereren, zijn populariteit taant nog lang niet.

Naar verluidt was men er bij de organisatie zelfs van geschrokken hoeveel mensen Chao in hun
kleine Open Lucht Theater wilden komen zien. De 1500 beschikbare tickets waren letterlijk in een
zucht uitverkocht, en de wachtlijst voor eventueel vrijgekomen tickets groeide zienderogen. Met
als nadeel natuurlijk ook overuren op de zwarte markt. We willen maar zeggen: er zat wat volk te
wachten op de exotische rock van de man.

Was al die opwinding dan gerechtvaardigd? Toch wel. De voormalige frontman van
patchankagroep Mano Negra heeft al jaren een uitstekende livereputatie en een catalogus
aangename, laidback songs die op de planken steevast op wonderbaarlijke wijze transformeren tot
galoperende punkopstoten, gebracht met een waaiersalvo levensvreugde waar weinig tegen in te
brengen is. Het is mestizo; een unieke blend van westerse punk, ska, mediterrane joie de
vivre, latininvloeden en zuiderse folk.

Maar aanvankelijk blijft alles vanavond eerder beschaafd. Het publiek zit rustig op zijn stoeltjes,
Chao houdt het gemoedelijk met “Mr. Bobby”, een sfeervolle, tot meezingen uitnodigende ode aan
de grootmeester van de reggae. Vroege erupties met voortrazende bas en drum doen niet zoveel.
Het is dan ook niet zo gemakkelijk dansen op die rare vloer voor het podium, laat staan op de bankjes
hogerop, en dus kabbelt alles maar wat aan. Dat verandert wanneer de sprinkhaan — de bijnaam
die Chao in de prille jaren negentig kreeg — zijn overbekende “Bongo Bong” door de mangel haalt.
Plots klikt de machine op zijn plaats, wordt een versnelling hoger geschakeld, en zien we de massa
langzamerhand van stilstand in doldrieste dans overgaan.

Dit is waar Chao het best in is: vliegen zonder vangnet, enkel voortgedreven door een razende
beat en gitaren in overdrive. En zelfs al gebeurt dat ietsje minder rücksichtslos dan in de beginjaren
— zo is de hartenklop waarmee hij zijn nummers eindigt niet langer die van de microfoon op de
borstkas, maar een onomatopee –, dit werkt nog altijd als niets anders. En dus vegen we met een
glimlach alle kleine, zurige randbemerkingen onder een grote mantel der liefde — een voetbalvlag om
toepasselijk te zijn. Ja, Chao valt nogal snel terug op “Oyoo oyoyo”- en “Yeah! Yeah!”-aansporingen,
we hebben een aantal ritmes wel heel vaak horen weerkeren, het blijft uiteindelijk maar hevig
beuken en drammen,… Maar dat is net het punt.

Manu Chao is geen chansonnier-pur-sang, toch zeker niet op de eerste plaats. Dit gaat om het
creëren van een kleine gemeenschap gelijkgezinden. En dat werkt. Zelden zijn zoveel gelukzalige,
uitgelaten gezichten te zien als tijdens zijn concerten. Het is feesten met een boodschap, maar dan
toch vooral: feest. En dus wordt dat “Marijuna illégal” toch altijd net dat tikje luider meegebruld dan
het voorgaande “Boliviano clandestino”.

En dan wordt er een eerste keer afscheid genomen, en een tweede keer,.. een derde. Nooit
gaat Chao echt weg. Het is niet meer dan een manier om telkens opnieuw “bedankt” te kunnen
zeggen, het publiek nog wat meer op te zwepen. Het feest gaat door. Bijna twee uur lang. En zo is

het goed. De wereld heeft het niet veranderd, maar voor de tijd dat het duurde, voelde ze wel heel
even beter aan. Dat is de kracht, nog altijd, van Chao: dat eeuwige, onvermoeibare positieve. Als een
passaatwind die elke donkere gedachte wegblaast. Of zoals hij het zelf blijft uitdrukken: “Proxima
estacion: esperanza”. Blijven hopen, blijven glimlachen. En blijven dansen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + drie =