Jóhann Jóhannsson :: The Miners’ Hymns

Fatcat, 2011
PIAS

Nu het IJslandse blazoen alweer besmeurd is met vulkanische as,
is het hoog tijd om de stofvod boven te halen. En wat is daarvoor
beter geschikt dan een nieuw album van Jóhann Jóhannsson, het meest
productieve en getalenteerde exportproduct van het eiland nu
Sigur Rós op
apegapen ligt? Na het meesterlijke ‘Fordlandia
componeerde de man deze keer de soundtrack bij een film van Bill
Morrison over de mijnindustrie in het Engeland van de 19e en begin
20ste eeuw. Die insteek blijkt een ware – komt ie – goudmijn: ‘The
Miner’s Hymns’ is een bloedmooie ode aan de teloorgegane
mijnwerkersgemeenschap en de koperblazersmuziek die er zo hecht mee
verweven is.

U leest het goed, geen strijkers die de trommelvliezen balsemen
op ‘The Miner’s Hymns’. Op een plaat die inzoomt op de Industriële
Revolutie zouden snaarinstrumenten dan ook vloeken als een ketter
in de kerk. De zogenaamde brass bands verschaften de
Britse mijnwerkers namelijk troost en loutering na hun lange
werkdagen en voor z’n ondergrondse muzikale bedevaart verruilde
Jóhann Jóhannsson dan ook snaren voor koper in de majestueuze
kathedraal van Durham, het hart van de mijnindustrie in
Noord-Engeland.

Fans van deze ascetische minimalist kunnen echter op hun beide
oren slapen. De klankkleur van ‘s mans muziek mag dan anders zijn,
maar z’n spartaanse, uitgebeende aanpak is dezelfde gebleven. Meer
zelfs, Jóhannsson klonk nooit uitgepuurder dan op ‘They Being Dead
Yet Speaketh’, waarop eenvoudige melodielijnen op kousenvoeten
komen binnengeslopen om zich dan weer terug te trekken. Een
langgerekt eb en vloed in slow motion waarbij je toch kopje onder
gaat, willens nillens. Als geen ander weet de IJslander alle
onkruid uit z’n composities te wieden. En hoe meer vetrandjes hij
wegsnijdt, hoe meer gewicht ze in de schaal werpen.

Dat geldt ook voor het onheilspellende ‘An Injury to One is the
Concern of All’, waarbij unheimliche ambient en
onbehaaglijke blazerspartijen zich aan een kwartier durende
danse macabre wagen. Alsof Scott Walker zich op
het neo-klassieke werk stort. In vergelijking met die dodenmars
klinkt ‘Freedom from Want and Fear’ aanvankelijk iets luchtiger,
maar ook hier laat Jóhannsson geleidelijk aan meer verstikkende
elektronica in de compositie sijpelen. Het resultaat is een
claustrofobische tocht door een nauwe mijnschacht, met een dode
kanarie aan je zijde.

Net als op ‘Fordlandia’ pakt Jóhannsson ook hier uit met enkele
gebaldere composities met meer melodische variatie. Zo doet ‘There
Is No Safe Side But the Side of Truth’ dienst als deugddoend
tochtgat na het beklemmende eerste halfuur van ‘The Miner’s Hymns’.
En met ‘The Cause of Labour is the Hope of the World’ culmineert de
plaat zelfs in een zielsoverstijgend mooie apotheose. Percussie,
koperblazers, elektronica en orgel: na een hypergedoseerde en
geduldige plaat mondt het opeens allemaal uit in een louterende
tsunami van geluid om dan zachtjes weg te sterven. Een houten klaas
die niet in de touwen hangt!

‘The Miner’s Hymns’ is een gedurfde en moedige plaat. Geen
waterig afkooksel van ‘Fordlandia’, maar Jóhannssons meest
claustrofobische en asgrauwe werkstuk tot nu toe. Als luisteraar
daal je zowel af in de geschiedenis van de Engelse mijnindustrie
als in de metersdiepe mijnschacht van je eigen gedachtewereld.
Verstikkend schoon!

http://www.johannjohannsson.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + 16 =